persoonlijk voornaamwoord (= herhaling) + AVOIR

- het persoonlijk voornaamwoord (= herhaling)

- het werkwoord
AVOIR = HEBBEN
(je, tu, il, elle, on, nous, vous, ils, elles)

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

- het persoonlijk voornaamwoord (= herhaling)

- het werkwoord
AVOIR = HEBBEN
(je, tu, il, elle, on, nous, vous, ils, elles)

Slide 1 - Tekstslide

HET PERSOONLIJK VOORNAAMWOORD
(= herhaling)

Prends ton cahier. = Pak je schrift erbij.

Slide 2 - Tekstslide

Nederlands
ik
jij
hij 
zij (enkelvoud)
men / wij
Frans
je
tu
il
elle
on

Slide 3 - Tekstslide

Nederlands

wij
jullie/u
zij (meervoud)
zij (meervoud)
Frans

nous
vous
ils
elles

Slide 4 - Tekstslide

ils

- een groep jongens
- een groep jongens en meisjes





elles

- een groep van alleen maar meisjes

Slide 5 - Tekstslide

Sleep de juiste vertalingen naar het juiste persoonlijk voornaamwoord
il
nous
vous
elle
tu
je
wij
zij
ik
jullie
jij
hij

Slide 6 - Sleepvraag

Koppel de Nederlandse persoonlijke voornaamwoorden aan de Franse.
IK
JIJ
HIJ
ZIJ (1 persoon)
WE
WIJ
U / JULLIE
ZIJ (ml + mv)
ZIJ (vl + mv)
JE
TU
IL
ELLE
ON
NOUS
VOUS
ILS
ELLES

Slide 7 - Sleepvraag

Welk woord is geen persoonlijk voornaamwoord?
A
nous
B
vous
C
oui
D
ils

Slide 8 - Quizvraag

Wij
A
Nous
B
Vous
C
Tu
D
Je

Slide 9 - Quizvraag

Jij
A
Ils
B
tu
C
Elles
D
vous

Slide 10 - Quizvraag

Zij (enkelvoud)
A
Elles
B
Elle
C
Ils
D
Je

Slide 11 - Quizvraag

Zij (vrouwelijk meervoud)
A
Elles
B
Elle
C
Il
D
Ils

Slide 12 - Quizvraag



blz. 87 Bravoure
Het werkwoord avoir betekent hebben.

Net als in het Nederlands is dit een onregelmatig werkwoord.

Slide 13 - Tekstslide

Schrijf het RIJTJE van het werkwoord AVOIR over in je schrift + de Nederlandse vertaling.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Wat betekent avoir?
A
hebben
B
zijn
C
gaan
D
doen/maken

Slide 16 - Quizvraag

avoir
=
  hebben



Sleep de juiste vorm van avoir naar het bijbehorende persoonlijk voornaamwoord
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je/j'
                     avons
                          ont
                             ai
                        avez
                            as
                              a

Slide 17 - Sleepvraag

Kies het juiste persoonlijk voornaamwoord:
'.....ai 12 ans'.
A
Tu
B
Je
C
J'
D
Il

Slide 18 - Quizvraag


Vul de juiste vorm in van het werkwoord avoir.

Vous _______ une grande maison?

Slide 19 - Open vraag


Vul de juiste vorm in van het werkwoord avoir.

Oui, on _____ une grande maison.

Slide 20 - Open vraag


Vul de juiste vorm in van het werkwoord avoir.

Nous_____ deux salles de bains.

Slide 21 - Open vraag


Vul de juiste vorm in van het werkwoord avoir.

Et Paul & Simon ______ aussi une grande maison?

Slide 22 - Open vraag

Maak nu op blz. 87-88 in je boek:
exercices 47 t/m 50

Klaar?                                                                                     
Leer dan:
- het werkwoord AVOIR NF + FN
- de woorden en zinnen op blz. 105 van par. 4 Paroles

Slide 23 - Tekstslide