In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 15 min
Onderdelen in deze les
A1 les 1
Slide 1 - Tekstslide
Lesplan
1. Check-in (Introduction and getting to know each other)
2. Herhaling vorige les (Review of the previous lesson)
3. Grammatica: werkwoorden 'hebben' en 'zijn' (Grammar: verbs 'to have' and 'to be')
4. Familie + opdrachten (Family + exercises)
5. Spreekoefening (Speaking exercise)
6. Afsluiting: Wat wil je volgende les leren? (Closure: What do you want to learn in the next lesson?)
Slide 2 - Tekstslide
leerdoelen
✅ Je kunt jezelf voorstellen en iets over jezelf vertellen.
✅ Je herhaalt wat je in de vorige les hebt geleerd.
✅ Je kunt de werkwoorden 'hebben' en 'zijn' correct gebruiken.
✅ Je kunt familieleden benoemen en over je familie vertellen.
✅ Je kunt korte zinnen maken en over jezelf praten.
✅ Je kunt zeggen wat je interessant vindt om te leren.
Slide 3 - Tekstslide
Hoe gaat het met je?
Check in
Slide 4 - Tekstslide
Voorstellen
Hoe gaat het?
Wat is je ..........?
Wat doe je voor ..........?
Waar ........... je?
Wat is je .............?
Wat zijn je ...........?
Slide 5 - Tekstslide
Groeten in het Nederlands
hoi/dag
doei/dag
Goedemorgen, goedemiddag, goedenavond
Slide 6 - Tekstslide
Korte en lange klanken
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Tekstslide
ZIJN
Slide 11 - Tekstslide
Zijn
Ik ben 35 jaar.
Jij bent jarig.
U bent vriendelijk.
Hij is ziek.
Jullie zijn aardig.
Wij zijn getrouwd.
Zij zijn vrienden.
Slide 12 - Tekstslide
Ik _________ 24 jaar.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn
Slide 13 - Quizvraag
Mijn vader _________ in huis.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn
Slide 14 - Quizvraag
Mijn moeder en vader ________ getrouwd.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn
Slide 15 - Quizvraag
Zij ________ broer en zus.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn
Slide 16 - Quizvraag
_________ u mijn nieuwe docent?
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn
Slide 17 - Quizvraag
Saida en Maud _________ in de klas.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn
Slide 18 - Quizvraag
HEBBEN
Slide 19 - Tekstslide
Hebben
Ik heb honger.
Jij hebt een kat.
U hebt geen dieren.
Hij heeft een banaan.
Jullie hebben kinderen.
Wij hebben eten.
Zij hebben appels.
Slide 20 - Tekstslide
Wij ________ geen geld.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 21 - Quizvraag
Ik _________ 5 kinderen.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 22 - Quizvraag
U _________ 8 kleinkinderen.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 23 - Quizvraag
__________ jullie kinderen?
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 24 - Quizvraag
Samira __________ haar mobiel gepakt.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 25 - Quizvraag
Karen en Paul _________ 1 kind.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 26 - Quizvraag
Ik _________ Nederlandse les.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben
Slide 27 - Quizvraag
De woorden
1. getrouwd
2. de kinderen
3. groeten
4. de mevrouw
5. tot ziens
6. de dochter/ de zoon
7. de familie
8. de ouders
9. het meisje
10. praten
11. de kleinkinderen
12. het alfabet
13. de letters
14. de naam
Slide 28 - Tekstslide
Vul het juiste woord in de zin in:
1. Mijn ouders zijn ______.
2. ______ spelen in de tuin.
3. Ik ga mijn buurman ______.
4. ______ winkelt in de supermarkt.
5. Als we weggaan, zeggen we ______.
6. Mijn ______ gaat naar school.
7. Ik woon samen met ______.
Slide 29 - Tekstslide
Wat is dit?
Slide 30 - Open vraag
Maak een zin met het woord 'praten'
Slide 31 - Open vraag
Wat is dit?
Slide 32 - Open vraag
Maak een zin met het woord 'kleinkinderen'
Slide 33 - Open vraag
Gezin
Oma en Opa
kinderen
kleinkinderen
vader en moeder/ Papa en mama
zus
broer
Slide 34 - Tekstslide
Slide 35 - Tekstslide
de opa
de oma
Slide 36 - Tekstslide
de moeder
de vrouw
de vader
de man
Slide 37 - Tekstslide
De ouders
Slide 38 - Tekstslide
Het gezin
Slide 39 - Tekstslide
de dochter het meisje
de zus
de zoon de jongen
de broer
Slide 40 - Tekstslide
man
de opa
de vader
de zoon
de broer
de jongen
vrouw
de oma
de moeder
de dochter
de zus
het meisje
Slide 41 - Tekstslide
Is de zin goed of fout?
1. Ik heeft een zus.
2. Jij hebt twee kinderen.
3. Wij heeft een auto.
4. U heeft 6 kleinkinderen.
5. Jullie hebben een pen.
6. Els hebt een fiets.
7. Otto heeft een auto.
8. Ludo en Lucie heeft een baby.
9. Ik hebben een dochter.
Slide 42 - Tekstslide
wordwall.net
Slide 43 - Link
het werkwoord 'heten'
Ik heet
jij heet
hij/zij heet
wij heten
zij heten
Voorbeelden:
De zoon heet Lucas.
De man heet Joop.
De oma heet Wilma.
De kat heet Jack.
Slide 44 - Tekstslide
Spreekoefening
Hoe laat sta je op?
Wat eet je als ontbijt?
Hoe ga je naar school/werk?
Wat doe je in de middag?
Wat doe je 's avonds?
"Ik sta om 7 uur op. Ik eet brood en drink koffie. Dan ga ik met de bus naar school. In de middag lunch ik met vrienden. ’s Avonds kijk ik tv en ga ik om 10 uur naar bed."
Slide 45 - Tekstslide
Spreekoefening
1. Heb jij een broer? Ja, ik heb een broer./ Nee, ik heb geen broer.
2. Heb jij een zus?
3. Heb jij een zwager?
4. Heb jij kleinkinderen?
5. Ben jij getrouwd?
6. Hebben jullie kinderen?
7. Zijn je kinderen groot of klein?
Slide 46 - Tekstslide
leerdoelen
✅ Je kunt jezelf voorstellen en iets over jezelf vertellen.
✅ Je herhaalt wat je in de vorige les hebt geleerd.
✅ Je kunt de werkwoorden 'hebben' en 'zijn' correct gebruiken.
✅ Je kunt familieleden benoemen en over je familie vertellen.
✅ Je kunt korte zinnen maken en over jezelf praten.
✅ Je kunt zeggen wat je interessant vindt om te leren.