Thema 4 B4 Zwanger worden

Thema 4 

Voortplanting en seksualiteit


B4
Zwanger worden
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 4 

Voortplanting en seksualiteit


B4
Zwanger worden

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Wat gaan we doen?
  • Intro
  • Leerdoel B4 (1 min)
  • Uitleg B4: - Erectie en zwellichamen
- Bevruchting + innesteling
- Zwangerschap + Echografie en prenataal onderzoek
  • Zelfstandig aan de slag met de opdrachten (15 min)
  • Afsluiter B4 (5 min)
            

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen B4
4.4.8 Je kunt de kenmerken van zaadcellen en eicellen noemen.

4.4.9 Je kunt beschrijven hoe bevruchting bij de mens verloopt.

4.4.10 Je kunt beschrijven hoe een zwangerschap verloopt.

4.4.11 Je kunt uitleggen wat prenataal onderzoek is en hiervan voorbeelden noemen.

Als een zaadcel de eicel na de ovulatie bevrucht, kan de eicel in leven blijven. De bevruchte eicel kan in de baarmoeder uitgroeien tot een kind.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Zaadlozing
  • Sperma komt met schokken door de   urinebuis uit de penis. 
      Dit kan door verschillende oorzaken:
       - bij geslachtsgemeenschap (stijve penis                in vagina)
       - door masturbatie/zelfbevrediging
       - in de slaap ('natte droom')
  • Sperma is kleverig en melkwit van kleur
  • Eén zaadlozing bevat 100 tot 400 miljoen   zaadcellen

Slide 6 - Tekstslide

Zaadcellen en eicellen

Slide 7 - Tekstslide

Erectie
  • Zwellichamen zich met bloed: ze worden groter en steviger.
  • Penis wordt stijf.
  • Clitoris zwelt op en vormt een kussentje.
  • Bij geslachtsgemeenschap brengt een man de stijve penis    in de vagina van de vrouw.
  • Bij seksuele opwinding produceren vagina en binnenste vulvalippen slijm; dat vergemakkelijkt de geslachtsgemeenschap.
  • Bij een zaadlozing komt sperma in de vagina.
  • Zaadcellen bewegen door de baarmoeder naar de eileilders

Slide 8 - Tekstslide

Bevruchting
  • Bevruchting: het versmelten van de kern van een zaadcel met de kern van een eicel.
  • Vindt plaats in een eileider.
  • Mogelijk in de vruchtbare periode: van ongeveer drie dagen vóór de ovulatie tot één dag na de ovulatie
  • Eicel kan maar door één zaadcel worden bevrucht. 
  • Buitenste laag van de eicel wordt ondoordringbaar nadat de kop van een zaadcel is binnengedrongen.
  • Bevruchte eicel deelt zich een aantal keren. Klompje cellen dat zo ontstaat, wordt naar de baarmoeder vervoerd.  

Slide 9 - Tekstslide

Innesteling
  • Klompje cellen wordt via eileider vervoerd naar baarmoeder
  • Innestelling: klompje zet zich vast in slijmvlies baarmoeder--> geen menstruatie meer
  • 5 a 7 dagen na ovulatie
  • Vrouw is zwanger
  • Klompje cellen groeit uit tot embryo
  • Vanaf de achtste week na de bevruchting wordt het embryo foetus genoemd.

Slide 10 - Tekstslide

Zwangerschap
  • Eerste weken heet kind embryo --> voeding via baarmoederslijvlies
  • Vanaf 8e week tot geboorte: foetus -->   voeding via 
       placenta (moederkoek)
  • Placenta is speciaal deel baarmoederwand:  hierin stroomt 
       bloed in bloedvaten embryo vlak langs bloed van moeder
  • Stoffen (O² en CO², voedingsstoffen en afvalstoffen)     
       kunnen uitgewisseld worden
  • Bloed van moeder stroomt niet door embryo
  • Embryo is via navelstreng verbonden met placenta

Slide 11 - Tekstslide

Vruchtvliezen en vruchtwater

  • Om foetus liggen 2 vruchtvliezen

  • Binnen de vliezen zit vruchtwater

  • Bescherming tegen stotenuitdroging  en wisseling temperatuur

  • Baby kan zich hierin bewegen
6 weken
12 weken
21 weken
8 weken

Slide 12 - Tekstslide

Ontwikkeling eerste 12 weken
  • Na innesteling -> ontstaan alle organen
  • Na 8 weken -> al een klein mensje
  • Vooral alleen nog maar groeien
  • Organen verplaatsen in lichaam moeder

Slide 13 - Tekstslide

Echografie en prenataal onderzoek
  • Prenataal onderzoek: onderzoek op aangeboren afwijking,
  •   erfelijke ziekte of geslacht (niet verplicht)
  • Na 13 weken een echo (geluidsgoven): bepaling hoeveel
       weken zwanger, berekening geboorte en mogelijke          
       afwijkingen in ontwikkeling
  • 9-14 wkn: combinatietest: test syndroom van Down
  • Na 11 wkn: NIPT (niet-invasieve prenatale test): bloed afgenomen bij moeder met een beetje DNA van de placenta. Bijna altijd hetzelfde DNA als dat van het kind.
  • Onderzoeken of er een verhoogde kans is op een kind met een aangeboren afwijking
  • Na 20 wkn: echo --> onderzoek afwijkingen hart, 
       hersenen, organen, ledematen en geslacht
  • pretecho
  • 13 weken-echo

Slide 14 - Tekstslide

Zelfstandig aan de slag
  • Maak eerst opdracht 1 t/m 4
  • Kijk deze opdrachten na met het antwoordboek
  • Maak de opdrachten 5 t/m 9 (+10)
  • Kijk ook deze opdrachten goed na en vul je antwoorden aan
  • Oefen de flitskaarten en maak de Test Jezelf van B4

Klaar?
Lees de Samenhang en maak opdracht 10

timer
10:00

Slide 15 - Tekstslide

Lever hier de samenvatting in!

Slide 16 - Open vraag

Afsluiter B4
4.4.8 Je kunt de kenmerken van zaadcellen en eicellen noemen.

4.4.9 Je kunt beschrijven hoe bevruchting bij de mens verloopt.

4.4.10 Je kunt beschrijven hoe een zwangerschap verloopt.

4.4.11 Je kunt uitleggen wat prenataal onderzoek is en hiervan voorbeelden noemen.




Slide 17 - Tekstslide

Deze vervoeren eicellen.

A
vagina
B
zaadleiders
C
eierstokken
D
eileiders

Slide 18 - Quizvraag

Hierin kan een bevruchte eicel zich ontwikkelen tot een kind.

A
vagina
B
baarmoeder
C
eierstokken
D
eileiders

Slide 19 - Quizvraag

Hierin vindt de ontwikkeling van eicellen plaats.

A
vagina
B
baarmoeder
C
eierstokken
D
eileiders

Slide 20 - Quizvraag

Hoe vaak vindt bij een vruchtbare vrouw de ovulatie plaats?
A
elke 12 tot 24 uur
B
ongeveer één keer per twee weken
C
ongeveer één keer per vier weken

Slide 21 - Quizvraag

Een eicel die niet bevrucht is, sterft af.
Wat gebeurt er met de resten van de eicel?

A
De resten verlaten samen met slijmvlies en bloed het lichaam tijdens de menstruatie.
B
De resten worden in de baarmoeder opgenomen in het bloed.
C
De resten worden in de eileider opgenomen in het bloed.

Slide 22 - Quizvraag

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?
A
10
B
14
C
28
D
35

Slide 23 - Quizvraag

Wat gebeurt er op dag 14 in de menstruatie cyclus?
A
Ongesteld zijn
B
Ovulatie
C
Innesteling
D
Menstruatie

Slide 24 - Quizvraag

Wanneer is een vrouw vruchtbaar?
A
Tijdens de menstruatie
B
Tijdens de ovulatie
C
Vlak na de menstruatie
D
Vlak voor de menstruatie

Slide 25 - Quizvraag

Tijdens de menstruatiecyclus verandert de slijmlaag aan de binnenkant van de baarmoeder.
Hier zie je drie keer de doorsnede van een baarmoeder afgebeeld.

Bij welk moment van de menstruatiecyclus hoort de doorsnede?
Tijdens de menstruatie
Kort na de menstruatie
Tijdens de ovulatie

Slide 26 - Sleepvraag

Rijpen nieuwe eicel
Eisprong
Eicel sterft
Rijpen nieuwe eicel
Menstruatie
Baarmoederslijmvlies wordt dikker
Menstruatie

Slide 27 - Sleepvraag