hoofdstuk 5

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imparfait
Imparfait

Ik deed, hij kocht, wij sliepen, jullie voetbalden

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imparfait
Als je vertelt hoe iets in het verleden was, gebruik je vaak de imparfait

De imparfait bestaat uit:
- een stam
- een uitgang

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitgangen imparfait
De stam van de imparfait = 
nous-vorm présent        - ons + uitgangen

Uitgangen imparfait
ais-ais-ait-ions-iez-aient

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imparfait (o.v.t.)
Onderwerp 
Uitgang 
Voorbeeld 
Je
- ais
Je parlais 
Tu 
- ais
Tu parlais
Il / Elle / On 
- ait
Elle parlait
Nous
- ions
Nous parlions  
Vous 
- iez
Vous parliez 
Ils / Elles
- aient
Ils parlaient 
De uitgangen van de imparfait herken je aan de ''i" van imparfait

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Combineer de juiste imparfait uitgang bij het persoonlijk voornaamwoord.
Imparfait
-ais
-ais
- ait
- ions
- iez
-aient
Je
Tu
Elle
Nous
Vous
Ils / elles

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Combineer de juiste imparfait uitgang bij het persoonlijk voornaamwoord.
Imparfait
-ais
-ais
- ait
- ions
- iez
-aient
Je
Tu
Il/elle/on
Nous
Vous
Ils / elles

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

imparfait
vous
ils
tu
nous
faisaient
allions
alliez
faisais

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

wat zijn de uitgangen van de imparfait?
ais
ait
ions
iez
aient
e
es
ons
ez

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het delend lidwoord
hoofdstuk 5, onderdeel D

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

LESDOELEN
 

- ik ken de regels voor het maken van het delend lidwoord
- ik kan het delend lidwoord toepassen als ik praat over eten en drinken

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Het delend lidwoord
Nu leer je het delend lidwoord:
Du (mannelijk)
De la (vrouwelijk)
De l' (klinker, stomme h)
Des (meervoud)
Deze gebruik je als we in het Nederlands niets zeggen..! >

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Explication: Delend lidwoord (1)
Delend lidwoord: Als je in het Nederlands geen lidwoord gebruikt. (Ik drink_koffie/zij eet_sla/ik wil graag_frietjes etc.)




mnl
du
je bois du café
vrl
de la
elle mange de la salade
mv
des
Je voudrais des frites
klinker/h
de l'
J'ai de l'argent

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sleep de delend lidwoorden naar de juiste zinnen.
Je mange ... croissants.
Elle boit ... eau minérale.
Ils achètent ... pain.
Elle n'a pas ... chips.
On a peu ... argent
du
d'
de
des
de l'

Slide 16 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste delend lidwoord in:
'Ma mère achète......pain
A
des
B
de la
C
du
D
de

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste delend lidwoord in:
Je mange ...... soupe.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef het juiste delend lidwoord.
'Elle prend ..... lait.'
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste delend lidwoord in:
Je bois ...... eau.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste delend lidwoord in:
Je mange ...... frites.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste delend lidwoord in:
Je prends ...... jus d'orange.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste delend lidwoord in:
Je mange ...... croissants.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tu veux ... coca ?

Kies het juiste delend lidwoord.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je prends ..... vin (le)
(Kies het goede delend lidwoord)
A
de la
B
du
C
de l'
D
des

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je prends ..... poisson.
(Kies het goede delend lidwoord)
A
de la
B
de l'
C
du
D
des

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

venir = komen

Slide 27 - Tekstslide

Het beste moet nog komen.
Dat is vandaag het werkwoord venir
Onregelmatig werkwoord

Le verbe venir

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Venir - Présent 
Nederlands
Frans
Ik kom
Je viens
Jij komt
Tu viens
Hij / Zij / Men komt
Il / Elle / On vient
Wij komen
Nous venons
Jullie komen / U komt
Vous venez
Zij komen
Ils / Elles viennent

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

venir
komen

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Quiz: Venir

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VENIR  KOMEN
ILS/ELLES
VOUS
NOUS
TU
JE
VIENNENT
VENEZ
IL
ELLE
VENONS
VIENS
VIENT
VIENS

Slide 32 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Venir

Ik kom
A
je vens
B
je viens
C
je suis venu

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

venir : vous ....
A
venez
B
venisez
C
venirez

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

venir: ils ........
A
venient
B
viennent
C
venirent

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nous........(venir)
A
viens
B
venez
C
viennent
D
venons

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Elles ........(venir)
A
viens
B
vient
C
viennent
D
venez

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

je........(venir)
A
viens
B
vient
C
viennent
D
venez

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

tu.....(venir)
A
vient
B
viens
C
viennent
D
venons

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies