Voorzetsels

Voorzetsels
voor / achter / naast / in / op / uit / onder / boven
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Voorzetsels
voor / achter / naast / in / op / uit / onder / boven

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Wat is het voorzetsel?
1. Een kind zit naast de man
2. Het glas staat op tafel
3. Ik stap uit de bus
4. De kat ligt onder het bed
5. Ik zit op de stoel
6. Mijn schrift zit in mijn tas
7. De boom staat achter het huis

Slide 6 - Tekstslide

De man zit ... de stoel
A
onder
B
op
C
in
D
boven

Slide 7 - Quizvraag

De kat ligt ... de tafel
A
op
B
uit
C
achter
D
onder

Slide 8 - Quizvraag

Ik doe mijn telefoon ... de tas
A
in
B
boven
C
onder
D
naast

Slide 9 - Quizvraag

De man zit ... de bank
A
op
B
achter
C
voor
D
in

Slide 10 - Quizvraag

De vrouw loopt ... het paard
A
naast
B
op
C
uit
D
achter

Slide 11 - Quizvraag

De kat ligt ... de tafel

Slide 12 - Open vraag

De man zit ... de stoel

Slide 13 - Open vraag

De vis zwemt ... de kom

Slide 14 - Open vraag

De vis springt ... de kom

Slide 15 - Open vraag

De melk zit ... het glas

Slide 16 - Open vraag

Nieuwe voorzetsel: tussen

Slide 17 - Tekstslide

De hond staat tussen de bomen

Slide 18 - Tekstslide