Reflective pronouns


Reflective pronouns
Wederkerende voornaamwoorden
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les


Reflective pronouns
Wederkerende voornaamwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Reflective pronouns (enkelvoud)
I = I like myself
You = You like yourself
He = He likes himself
She = She likes herself
It = It likes itself

Slide 2 - Tekstslide

Reflective pronouns (meervoud)
You = Your like yourselves
We = We like ourselves
They = They like themselves

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

In het nederlands heb je

werkwoorden waar het woordje zich bij staat: zich vermaken/ zich bezeren in het engels wordt dat:

enjoy yourself/ hurt yourself

Slide 5 - Tekstslide

VUL HET JUISTE WEDERKEREND VNW IN:
Are you okay? Did you hurt .........?
A
MYSELF
B
HIMSELF
C
THEMSELVES
D
YOURSELF

Slide 6 - Quizvraag

VUL HET JUISTE WEDERKEREND VNW IN:
I bought some icecream for ..........
A
HERSELF
B
MYSELF
C
OURSELVES
D
THEMSELVES

Slide 7 - Quizvraag

VUL HET JUISTE WEDERKEREND VNW IN:
My dad cut ...... with a knife
A
HIMSELF
B
YOURSELVES
C
YOURSELF
D
HERSELF

Slide 8 - Quizvraag

VUL HET JUISTE WEDERKEREND VNW IN:
We gave ......... a few minutes to rest
A
THEMSELVES
B
YOURSELVES
C
OURSELVES
D
ITSELF

Slide 9 - Quizvraag

VUL HET JUISTE WEDERKEREND VNW IN:
A cat cleans ..........
A
MYSELF
B
HIMSELF
C
HERSELF
D
ITSELF

Slide 10 - Quizvraag

Slide 11 - Tekstslide

Each other
Je gebruikt each other als je het hebt over twee of meer personen die op elkaar gericht zijn.
Tammy and Sam like each other.
Peter and Mary are looking at each other.

Slide 12 - Tekstslide