Les 6 + 7 Beeldspraak en gedichten

1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Agenda 
1. Jouw vertaalde gedicht: wie wil er delen?
2. Verder met poëzie: beeldspraak (uitleg en Lessonupvragen)
3. Zelf een metafoor bedenken
4. Numo: voortgang en vraag?




Slide 2 - Tekstslide

Nog 2 lessen

Deze week en erna:
Metaforen en zelf aan de slag

Blijf je lezen?

Oefenen jullie wekelijks met Numo?

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen deze les

Je leert wat beeldspraak is
Je kent de begrippen vergelijking, metafoor en personificatie
Je kunt in een gedicht beeldspraak herkennen
Je kunt de beeldspraak uitleggen
Je kunt zelf dichten met beeldspraak


Slide 4 - Tekstslide

Statement of inquiry 
Purposeful use of style and structure helps writers creatively convey their perceptions of inner and outer reality. 

Slide 5 - Tekstslide

Begrippen uit deze les
Key Concept = 
Creativity
Related Concepts = 
Purpose 
Structure
Style
Global Concept = Personal and Cultural Expression

Slide 6 - Tekstslide

Jullie gedichten

Staan ze in SomToday: inleveropdracht?



Toon Tellegen => 

Slide 7 - Tekstslide

Agenda 
1. Jouw vertaalde gedicht: wie wil er delen?
2. Verder met poëzie: beeldspraak (uitleg en Lessonupvragen)
3. Zelf een metafoor bedenken
4. Numo: voortgang en vraag?




Slide 8 - Tekstslide

Vul eens aan: Ik ben zo blij als een..... die.......

Slide 9 - Woordweb

Beeldspraak
Beeldspraak is figuurlijk taalgebruik. Je bedoelt niet letterlijk wat je zegt, maar gebruikt beelden om iets sterker uit te drukken. 
'Vlinders in je buik hebben.' Je hebt dan niet letterlijk vlinders in je buik, maar hiermee wordt bedoeld dat je verliefd bent. 

We behandelen er drie:

1. de vergelijking
2. de metafoor 
3. de personificatie

Slide 10 - Tekstslide

De vergelijking
Een vergelijking noemt de overeenkomst 
tussen twee dingen: 

  • Haar lippen zijn zo rood als wijn. 
  • Hij is net zo rijk als Dagobert Duck.

Structuur: A is als B

Slide 11 - Tekstslide

De metafoor
Een metafoor is gelijk aan een vergelijking zonder het woordje 'als'.

'De kamer van mijn broer is een zwijnenstal.'
Het is daar een enorme bende. 

Als je bijvoorbeeld wilt zeggen dat je klasgenoot Bram altijd alles weet, kan je daar een metafoor van maken:
'Bram is de wandelende encyclopedie van de klas.'

Structuur: A is B


Slide 12 - Tekstslide

Welke zin bevat een metafoor?
A
Jouw ogen zijn als sterren.
B
Wat een boom van een kerel.
C
Als het kalf verdronken is, dempt men de put.
D
Dat meisje lijkt wel een prinses, zo elegant!

Slide 13 - Quizvraag

"Dat oude dametje is zo mager als een lat." Is dit een metafoor of een vergelijking?
A
metafoor
B
vergelijking

Slide 14 - Quizvraag

Personificatie
Bij de personificatie ken je menselijke eigenschappen toe aan iets abstracts: 

De stoel zuchtte onder zijn gewicht. 
Tijd die voorbij kruipt.
De wind die fluit. 

Zuchten, kruipen en fluiten zijn dingen die mensen wél kunnen, maar dingen niet.

Slide 15 - Tekstslide

"Wolken en zon spelen haasje over."
Is dit een personificatie?
A
ja
B
nee

Slide 16 - Quizvraag

"Het papier is geduldig."
Is dit een personificatie?
A
ja
B
nee

Slide 17 - Quizvraag

Lees dit gedicht
Welke woorden en/of zinnen vind je onduidelijk?

Welke stemming roept het bij je op?

Slide 18 - Tekstslide

Welke stemming roept dit gedicht bij je op als je het leest?

Slide 19 - Open vraag


Waar denk je dat het over gaat? 

Slide 20 - Tekstslide

Waar denk je dat het gedicht over gaat?

Slide 21 - Woordweb

Welke beeldspraak
herken je in de
eerste strofe?

Slide 22 - Open vraag

Welke beeldspraak
herken je in de
tweede strofe

Slide 23 - Open vraag

Welke beeldspraak
herken je in de
derde strofe?

Slide 24 - Open vraag

Wat vind je van dit gedicht nu je beter weet waar het over gaat?

Slide 25 - Open vraag

Slide 26 - Tekstslide

Agenda 
1. Ophalen: metafoor, personificatie en vergelijking
2. Zelf een een gedicht maken en delen in de klas 
3. Numo: voortgang en vraag?




Slide 27 - Tekstslide

Nog 3 lessen

Deze week en erna:
Metaforen en zelf aan de slag + gedicht beoordelen (volgende week)

Blijf je lezen? Laatste les werken aan boekopdracht 

Oefenen jullie wekelijks met Numo?

Slide 28 - Tekstslide

Leerdoelen deze les

Je leert wat beeldspraak is
Je kent de begrippen vergelijking, metafoor en personificatie
Je kunt in een gedicht beeldspraak herkennen
Je kunt de beeldspraak uitleggen
Je kunt zelf dichten met beeldspraak


Slide 29 - Tekstslide

Welke zin bevat een metafoor?
A
Hij is zo sluw als een vos
B
Mijn geheugen is een zeef
C
Morgenrood, water in de sloot
D
Die man lijkt wel een spook, zo wit

Slide 30 - Quizvraag

"Het schip der woestijn is een kostbaar bezit" Is dit een metafoor of een vergelijking?
A
metafoor
B
vergelijking

Slide 31 - Quizvraag

Slide 32 - Tekstslide

"De lente geeft je een lekker gevoel" Is dit een personificatie?
A
ja
B
nee

Slide 33 - Quizvraag

"Regendruppels kietelen de krokussen in het veld"
Is dit een personificatie?
A
ja
B
nee

Slide 34 - Quizvraag

Spelregels
Laptop dicht, 
Pen en papier op tafel

Eerst zelf denken en schrijven
(dit mag in je eigen taal, later eventueel vertalen)

Voordragen van je gedicht in de klas

Slide 35 - Tekstslide

Opdracht
Schrijf een gedicht, minimaal 3 strofen en 12 regels, over één van deze onderwerpen:
- het gevoel dat de lente jou geeft
- hoe je je na een week vakantie (weer op school)
- een ontmoeting met iemand die je leuk of juist niet leuk vindt

Verwerk in dit gedicht een vergelijking, een personificatie en minimaal één metafoor.

Slide 36 - Tekstslide

Spelregels
Je luistert naar het gedicht van een ander

Je laat de ander in zijn/haar waarde

Zeg je iets onaardigs? Krijg je extra werk van mij


Slide 37 - Tekstslide

Wat heb je geleerd deze les?

Slide 38 - Open vraag

Numo: 
leerplan 
werkwoordspelling

Slide 39 - Tekstslide

Geleerd..

wat beeldspraak is
de begrippen vergelijking, metafoor en personificatie
beeldspraak te herkennen en uit te leggen
zelf te dichten met beeldspraak


Slide 40 - Tekstslide