§4 Verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

WELKOM BIJ NEDERLANDS!
  • Pak je materiaal voor.
  • Inloggen LessonUp;
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

WELKOM BIJ NEDERLANDS!
  • Pak je materiaal voor.
  • Inloggen LessonUp;

Slide 1 - Tekstslide

Kies het goede woord in de zin
'Je moet oppassen voor de stier want ....... kan je opeens aanvallen.
A
zij
B
het
C
hem
D
hij

Slide 2 - Quizvraag

Welk verwijswoord:
Dit poesje is vanmorgen aankomen lopen, geef je ............. wat te drinken?
A
hem
B
het
C
haar
D
hun

Slide 3 - Quizvraag

Zelfstandig werken
Wat:
Maken: opdracht 1 t/m 5 (blz. 236-237)
Verminderde opdrachten 1,2,4 en 5
Hoe:
Zelfstandig. Zet de antwoorden in je schrift
Hulp:
De 4 B's (brein, boek, buur, bureau)
Tijd:
Tot de laatste vijf minuten van deze les
Klaar:
Kiezen uit:
- Lezen in je leesboek 
- Samenvatting maken van §4
- Maken opdracht 6
ZELFSTANDIG WERKEN
timer
10:00

Slide 4 - Tekstslide

Planning

Uitleg werkwoordspelling 

Zelfstandig met de oefeningen aan de slag
P L A N N I N G
Cursus 6 - Formuleren
1. Huiswerkcheck
2. Herhalingsvragen
3. Lesdoelen
4. Uitleg
5. Oefenen
6. Zelfstandig werken
7. Afsluiten

Slide 5 - Tekstslide

Huiswerk
Bepreken huiswerk
opdracht 1 , 2 en 4 
(blz. 234 en 235)

Slide 6 - Tekstslide

Karina verlangt naar de vakantie, want ... gaat ze in Marokko doorbrengen.
A
die
B
dit

Slide 7 - Quizvraag

Weet jij waarom dit tijdschrift, .. al jaren bestaat, niet meer zal verschijnen?
A
die
B
dat

Slide 8 - Quizvraag

Voor de Olympische Spelen bouwde China een mooi stadion, ... prachtig verlicht was.
A
die
B
dat

Slide 9 - Quizvraag

'Ik wil graag een trui passen', zei de klant. De verkoper vroeg daarop: '... hier?'

A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 10 - Quizvraag

De ijsplaat van de vitrine, ... de ijsverkoper zo ijverig stond schoon te maken, brak ineens in honderd stukken.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 11 - Quizvraag

'Het breiwerk van je vriendinnetje is mooi regelmatig, maar ... is prutswerk.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 12 - Quizvraag

§8 - persoonlijk voornaamwoord - pers. vnw
p. 218
Persoonlijke voornaamwoorden 
verwijzen naar mensen, dieren of 
dingen;
--> Zonder dat je die specifiek 
benoemt: ik, jou, zij, hen, 
hem, etc.


Bijv.: haar in plaats van ‘Andrea':
Heb je Andrea nog gezien gisteren?
Heb je haar nog gezien gisteren?
of
het in plaats van 'die som':
Ik begrijp die som!
Ik begrijp het!


Slide 13 - Tekstslide

pag. boek: 218                                 

Slide 14 - Tekstslide

Herhaling §4: verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (pers. vnw & bez. vnw)

Boek: p. 236


Slide 15 - Tekstslide

Herhaling §4: verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (pers. vnw & bez. vnw)

Boek: p. 236


Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Link

Wat is een verwijswoord?
A
Een woord dat naar een ander woord verwijst
B
Een woord dat niet in het woordenboek staat
C
Een woord dat niet in de zin past
D
Een woord dat twee betekenissen heeft

Slide 18 - Quizvraag

Welk woord is een verwijswoord in de zin 'Ik heb een boek gelezen, het was erg interessant.'?
A
Interessant
B
Gelezen
C
Boek
D
Het

Slide 19 - Quizvraag

Welk verwijswoord kan gebruikt worden om naar een meervoudig zelfstandig naamwoord te verwijzen?
A
Hij
B
Ze
C
Zij
D
Het

Slide 20 - Quizvraag

Agenda
  • 09:50- 10:05: landen & 10 min lezen
  • 10:05 - 10:15: Tijdcapsule foto's!!!
  • 10:15 - 10:30: instructie §1: zinnen correct begrenzen
  • 10:30 - 10:40: oefenen/ HW maken
  • 10:40 - 10:50: oefeningen bespreken
  • 10:50:               spelletje
  • 11:05:                afsluiting
  • 11:10:                einde les 

Slide 21 - Tekstslide

Lesdoelen

Je kunt de verwijswoorden gebruiken die passen bij het woordgeslacht.

Je kent de regels van het gebruik van verwijswoorden.

Slide 22 - Tekstslide

Verwijswoorden
de-woorden
enkelvoud mannelijk                      hij, hem, deze, die
enkelvoud vrouwelijk                     zij (ze), haar, deze, die

het-woorden
enkelvoud onzijdig                         het, dit, dat 

Meervoud                                            zij, ze, hen, hun, deze, die

Slide 23 - Tekstslide