Voornaamwoorden

Voornaamwoorden
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Voornaamwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud
Huiswerkcontrole en correctie
herhalingsopdrachten: 1 t/m 3 (p. 92 WB)
Quizvragen voornaamwoorden (hh)
Instructie moeilijke voornaamwoorden
Quizvragen moeilijke voornaamwoorden
Verwerkingsopdrachten 4 t/m 6



Slide 2 - Tekstslide

Huiswerkcontrole

Slide 3 - Tekstslide

Maak opdracht 1, 2, 3 (p. 92)

Slide 4 - Tekstslide

hh. voornaamwoorden

Slide 5 - Tekstslide

Supermarktketens gaan dicht als het pinsysteem eruit ligt. Die zijn niet ingesteld op contant geld.
A
die = aanw. vnw
B
die = betr. vnw
C
die = vragend vnw.
D
die = wederkerend vnw.

Slide 6 - Quizvraag

Als je telefoon het niet meer doet en je kunt wel bellen, is het fijn om een lijst met telefoonnummers te hebben.
A
je = bez. vnw, je = bez. vnw
B
je = pers. vwn/ je = pers. vnw
C
je = pers. vnw/ je = bez. vnw
D
je = bez. vnw/ je = pers. vnw.

Slide 7 - Quizvraag

Vooral de nummers van familieleden moet je noteren om elkaar gerust te kunnen stellen: "met ons is alles ok".
A
elkaar = wederkerig
B
ons = bezittelijk
C
ons = wederkerend
D
elkaar = wederkerend

Slide 8 - Quizvraag

Het ministerie adviseert iedereen om van alles in huis te halen, zoals desinfecterende gel en maanverband.
A
ministerie = pers. vnw
B
alles = aanw. vnw
C
iedereen = onbep. vnw
D
iedereen = pers. vnw

Slide 9 - Quizvraag

Instructie moeilijke vnw

Slide 10 - Tekstslide

Persoonlijk vnw
"Het" kan een persoonlijk voornaamwoord zijn.  Dat is alleen het geval wanneer "het" terugverwijst naar iets wat eerder gezegd is. 

Heb jij dat boek gelezen? Het is erg mooi. 
Kun jij goed basketballen? Mij lukt het niet zo goed. 

Slide 11 - Tekstslide

Vragende vnw
Een voornaamwoord waarmee je iets vraagt. De persoon/ het ding of dier waar het naar verwijst is onbekend. 

Wie heeft mijn etui gepikt? 

Wie, wat, welk(e), wat voor (een)

Slide 12 - Tekstslide

Aanwijzend vnw
Het aanwijzend vnw wijst een persoon ding of dier aan en legt zo nadruk op het naamwoord dat het aanwijst. 

Deze etui is dus van mij, jij dief.

deze, die, dit, dat, zo'n, zulke, degene, dezelfde, dergelijke

Slide 13 - Tekstslide

Wederkerend vnw
Het wederkerend vnw verwijst terug naar het onderwerp van de zin. 

Ik heb me al die tijd afgevraagd wie zo'n kleuter was dat hij mijn etui pikte. 

me(zelf)/ mij(zelf), je(zelf)/u(zelf)/ zich(zelf), ons(zelf) 

Slide 14 - Tekstslide

Wederkerig vnw
De actie of toestand in de zin is wederzijds. 

We houden toch van elkaar. 

elkaar, elkander, mekaar

Slide 15 - Tekstslide

Onbepaald vnw
Het onbepaalde vnw verwijst niet naar een concreet persoon, dier of ding, maar naar iets algemeens. Het is dus onduidelijk wie er precies bedoeld wordt.
"Ik heb niemand ooit iets beloofd." 

(n)iemand, (n)iets, wat, ieder(een), alle(s), andere(n), elk, sommige(n), je, men, het

Slide 16 - Tekstslide

Onbepaald vnw
Het onbepaalde vnw kan zelfstandig voorkomen: 
Niemand verwachtte dat van hem. 
Het onbepaald vnw kan voor een zn staan:
Elke gek heeft zijn gebrek. 
Het is alleen een onbepaald vnw als het niet naar iets verwijst.
Het regent vandaag opnieuw.
Het is morgen gelukkig zonnig.

Slide 17 - Tekstslide

Betrekkelijk vnw
Een betrekkelijk vnw verbindt een bijzin met het woord of de zin waarnaar het verwijst. (antecedent)
De taal die hij uitslaat bevalt me niet. 
Soms zit de antecedent in het betrekkelijk voornaamwoord ingesloten. 
Wat hij zegt bevalt me niet. 
die, dat, wie, wat, welk(e), hetgeen

Slide 18 - Tekstslide

Kan iemand vertellen wie het licht heeft aangelaten?
A
iemand = pers.vnw
B
wie = betr. vnw
C
iemand = onbep. vnw
D
wie = aanw. vnw

Slide 19 - Quizvraag

Waarom hebben jullie je opdracht nog steeds niet af?
A
waarom = vr. vnw
B
jullie = pers. vnw
C
je = pers. vnw
D
jullie = bez. vnw

Slide 20 - Quizvraag

Dit is het boek dat ik besteld heb.
A
dit = aanw. vnw/ dat = betr. vnw
B
dit = aanw. vnw/ dat = aanw. vnw
C
dit = vr. vnw / dat = aanw. vnw
D
dit = betr. vnw/ dat = aanw. vnw

Slide 21 - Quizvraag

Maak opdracht 4 t/m 6 (p. 92)

Slide 22 - Tekstslide