27-01-2025

27-01-2025
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansBeroepsopleiding

In deze les zitten 25 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

27-01-2025

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mirar deberes
WB:
p. 85, ej.17
p.86, ej. 18
p.88, ej. 27
TB:
p. 80, ej. 6a (Slides 19, 20, 21, 22, 23 Kijken: aanwijzende voornaamwoord + plaats (aquí, ahí, allí)
p. 81, ej. 8 ( slides 24, 25, 26) : El camino inca: leer , contestar a las preguntas. Dar consejos.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • met werkwoord "gustar" meewerkend voorwerp
  • lijdend voorwerp met personen(niet met "Tener")
  • afstand in tijd en ruimte
  • richting, bestemming
  • data
  • kloktijd
  • (eind)doel
WB
p.85, ej.17

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het aanwijzend voornaamwoord pag. 80
57
este/a/estos/as = deze, dit  
 ese/a/esos/as = die, dat
esto = dit (hier)       eso = dat (daar)
slide 19

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aanwijzende voornaamwoorden TB p.80, ej.6a
aquí- ahí.
      Dit/ Deze (dichtbij de spreker)   Dat / Die ( verder van de spreker) 
              Mannelijk          Vrouwelijk                   Mannelijk        Vrouwelijk            
enk.v  este  jersey      esta   falda                   ese jersey       esa falda           
mee.v estos jerseys  estas faldas                esos jerseys   esas faldas    

Este/-a/-os/-as  wordt gebruikt voor dingen in de onmiddellijk nabijheid van de spreker .
Ese/-a/-os/-as wordt gebruikt voor dingen die zicht iets verder weg of in de buurt  van de toehoorder bevinden.

Esto/eso/ aquello verwijst naar iets wat niet concreet genoemd wordt: ¿Qué es esto?
57
slide 20

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Pronombres demostrativos
Dicht bij de spreker (aquí = hier)
este            -           esta           -        estos        -     estas      -       esto
Verder weg van de spreker (ahí = daar)
ese             -             esa           -         esos          -    esas        -       eso
Ver weg van de spreker (allí = daarginds)
aquel         -             aquella   -         aquellos  -    aquellas  -      aquello
slide 21

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 esto/eso/aquello


De  aanwijzende voornaamwoorden esto/eso/aquello worden gebruikt om een voorwerp aan te duiden wat niet bekend is of waarover men in algemene zin spreekt.  

slide 22

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

aquí
ahí
allí
slide 23
WB:
p.86, ej.18

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

TB:  p.81 ej.8: "El Camino Inca"
Lees de tekst en beantwoord de vragen.
1.  ¿ Se puede ir solo? 
2. ¿Cuántos kilómetros tiene el Camino Inca?
3. ¿Cuánto tiempo se necesita para hacerlo?
4. ¿Qué se puede hacer parar evitar el mal de las alturas?
5. ¿Cuáles son los mejores meses para hacer la ruta? 
6. ¿Se puede hacer el Camino Inca con niños? 



slide 24

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

TB: p. 81, ej.9a Adviezen geven
Je kunt in het Spaans adviezen geven met onderstaande constructies. Je gebruikt ze in combinatie met het hele werkwoord. 
  1. Se recomienda + hele werkwoord = Men beveelt aan om.../het is aan te bevelen om...
  2. Es mejor + hele werkwoord = Het is beter om ...
  3. Conviene + hele werkwoord = Het is raadzaam om ...
  4. (No) es necesario + hele werkwoord = Het is (niet) nodig om..
slide 25

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dar consejos ... ( Advies geven)

  • Se recomienda ...het wordt aanbevolen.
  • Es mejor ...het is beter
  • (No) Conviene ...het is (niet) handig.

  • (No) Es necesario ...het is (niet) nodig
+ infinitivo

pasar unos días en Cusco.
llevar zapatos cómodos.
viajar en junio, julio o agosto.
hacer la ruta en cuatro días.
llevar niños a esta excursión.
llevar alimentos.  
WB: p.88, ej. 27
slide 26

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

TB.:
 p.82, oef. 12: Una pausa en el camino: Beantwoord de vraag:
¿ Qué están haciendo estas personas?
TB.:
 p.82, oef. 10a/b: ¿ A qué fotos del camino se refieren?
58

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ejemplos
1. Ik ben aan het luisteren.
2. Ben jij aan het werken?                  
3. Hij is aan het voetballen.
1. Wij zijn aan het eten.
2. Wat zijn jullie aan het doen?
3. Zij zijn aan het praten. 
Estoy escuchando.
Está jugando al fútbol.
Están hablando.
¿Estás trabajando?
Estamos comiendo.
¿Qué estáis haciendo?

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¿Qué están haciendo?

jugar al tenis

leer un libro

hablar por el móvil

comer

dormir

estudiar


Slide 15 - Tekstslide

1.está comiendo

2. está durmieno

3. está estudiando

4.está leyendo un libro

5.está hablando por el móvil

6. está jugando al tenis

a. escuchar música
b. correr
c. leer un libro
d. nadar
e. bailar
f. hacer la compra
g. beber leche/ un zumo
h. dar clase a los estudiantes
i. vender periódicos
j. jugar al tenis
k. ver la tele
l. comer hamburguesas
m. buscar un libro en la biblioteca
n. subir al avión

ejemplo:
15 a: Los chicos están escuchando música.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wederkerende werkwoorden in de Gerundio 
(p. 125)
Bij de Gerundio kunnen de voornaamwoorden zowel vóór  estar staan. 
  • Me estoy duchando.
Maar  ze mogen ook direct achter de Gerundio staan. Om de klemtoon te handhaven krijgt de Gerundio dan wel een accent.
  • Estoy duchándome.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even alles op een rij.
Tot nu toe heb je verschillende constructies geleerd:
  • Wat je gaat doen.
  • Wat je moet doen. 
  • Wat je hebt gedaan.
  • Wat je aan het doen bent. 
ir + a + infinitief
tener + que + infinitief
estar + -ando/-iendo
haber + stam + -ado/-ido

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dat ziet er dan zo uit:

  • Mañana voy a estudiar.
  • Esta tarde tengo que estudiar. 
  • Ya he estudiado.
  • En este momento estoy estudiando.


  • Morgen ga ik studeren.
  • Vanmiddag moet ik studeren.
  • Ik heb al gestudeerd.
  • Op dit moment ben ik aan het studeren. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¿Qué tiempo hace?
p.83, ej. 13 a/b/c
Voor het weer gebruik je de werkwoorden:
  • hacer
  • hay
  • estar 
  • llover (ue) / lloviznar 
  • nevar (ie)

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

00:00
Bekijk La canción del tiempo tot 1.24 m. en  maak onderstaande zinnen af.

Hace ________________.
Hace ________________.
Hace ________________.
Hace ________________.
Hace ________________.
Está ________________.
No está ________________.
Está lloviendo.
Está nevando. 

.


De zon schijnt.
Het is warm.
Het is koud.
Het is fris.
Het waait.
Het is onbewolkt.
Het is niet bewolkt.
Het is aan het regenen.
Het is aan het ________________.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Deberes
WB:
 p.87,ejs. 21, 22, 24
p.88,ej.25
p.88, ej. 27(advies geven)
p.89, 90: Reglas y Sistemas
TB:
Slides 14, 15, 16: oefeningen maken
slides 18, 19: goed kijken
slides 20 t/m 24: "Het weer"¿Qué tiempo hace?p.83, ej. 13 a/b/c : kijken (In de les behandelen)

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies