H3.4 De economische wereldcrisis

3.4 De economische wereldcrisis
De crisis breekt uit (blz. 159)
opdrachten 1 t/m 4
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 34 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

3.4 De economische wereldcrisis
De crisis breekt uit (blz. 159)
opdrachten 1 t/m 4

Slide 1 - Tekstslide

Opdracht 1a
Wat vertelt bron 1 over de welvaart in de Verenigde Staten?
  • Niet alle Amerikanen waren rijk. Sommigen leefden in krottenwijken.

Slide 2 - Tekstslide

Opdracht 1b
Welke oplossing voor de situatie in bron 1 past bij het liberalisme?
A Alle fabrieken en bedrijven worden bezit van de staat; dan gaan ze niet failliet.
B Niets doen: als er veel werklozen zijn, dalen de lonen en ontstaan nieuwe banen.
C Met geld van de overheid werklozen inhuren voor de bouw van wegen en scholen.
D Werkloze arbeiders een goede uitkering geven, zodat ze in hun huis kunnen blijven.

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht 1c
Stel: je bent in 1933 president van de Verenigde Staten. Welke oplossing bij vraag b zou jij kiezen? Leg je antwoord uit.
Ik zou kiezen voor (bijvoorbeeld):
  • C - want met geld van de overheid kun je werklozen inhuren voor de bouw van wegen en scholen. Zij hebben dan inkomen en kunnen eten kopen.

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoel
Je kunt twee gevolgen noemen van de economische crisis in de Verenigde Staten.
  1. Veel banken, bedrijven en burgers waren hun geld kwijt en raakten in de problemen. Verschillende banken gingen failliet en ook bedrijven moesten dicht.
  2. Veel mensen werden werkloos. Zij konden hun leningen niet terugbetalen aan de bank en kochten minder producten.

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht 2a
Waaruit blijkt dat de Verenigde Staten in 1929 in een economische crisis verkeerden?
Noem twee voorbeelden.
  1. Veel bedrijven en banken gingen failliet.
  2. De aandelen waren weinig waard.
  3. Mensen raakten hun baan kwijt 
  4. Mensen hadden weinig geld om spullen of eten te kopen.

Slide 6 - Tekstslide

Opdracht 2b
Gebruik zo nodig de uitleg bij V3.1 op bladzijde 10.
De crisis in de Verenigde Staten had directe en indirecte oorzaken. Wat was de directe oorzaak en wat waren twee indirecte oorzaken?
– Bedrijven leenden veel geld om hun bedrijf uit te breiden: y
  • indirecte oorzaak.
– Mensen gingen massaal hun aandelen verkopen:
  • directe oorzaak.
– Mensen kochten producten met geleend geld:
  • indirecte oorzaak.

Slide 7 - Tekstslide

Opdracht 2c
Leg uit wat er gebeurt als veel mensen tegelijk hun aandelen willen verkopen.
De prijs daalt / stijgt, want er zijn veel aandelen te koop / weinig mensen die een aandeel willen kopen.
  • De prijs daalt / stijgt, want er zijn veel aandelen te koop  en weinig mensen die een aandeel willen kopen.

Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 3a
Zet de volgende zinnen over de economische crisis op de juiste plaats in het schema: de werkloosheid stijgt • mensen kunnen minder kopen.

Slide 9 - Tekstslide

Opdracht 3b
Op welke manier probeerde president Roosevelt de crisis te beëindigen? Zet de
zinnen op de juiste plek in het schema. Kies uit: bedrijven kunnen meer producten verkopen • meer mensen hebben werk • mensen kunnen meer kopen.

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht 4a
Werkten de maatregelen die president Roosevelt nam om de crisis te bestrijden? Leg je antwoord uit.
Ja / Nee, want 
  • ja, want na 1933 daalde de werkloosheid. In dat jaar was Roosevelt president geworden.

Slide 11 - Tekstslide

Opdracht 4b
Een uitspraak: ‘De maatregelen die Roosevelt nam, maakten geen einde aan de crisis.’ Bedenk met behulp van de bron een argument voor deze uitspraak.
  • Nog steeds was 14% van de bevolking werkloos; dat was nog steeds veel.

Slide 12 - Tekstslide

Wereldcrisis
Leerdoel • Je kunt uitleggen dat de crisis in de Verenigde Staten ook gevolgen had voor mensen in Europa.
Bedrijven verkochten minder producten en nam de werkloosheid toe. Ook de handel nam af.
In Nederland en Duitsland verloren mensen hun baan en konden geen spullen meer kopen.

Slide 13 - Tekstslide

Het fascisme groeit
Leerdoel • Je kunt uitleggen waarom na 1929 de populariteit van het fascisme in Europa groeide.
Door de economische wereldcrisis groeide overal in Europa de populariteit van het fascisme. Het kreeg veel steun omdat zij beloofde de werkloosheid en andere problemen op te lossen. 

Slide 14 - Tekstslide

Huiswerk
H3.4 - De economische wereldcrisis
- Wereldcrisis (blz. 161-162)
- Het fascisme groeit (blz. 163)
maken opdrachten 6, 7, 9, 10, 11 + 12

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 6a
Hieronder staan twee Nederlandse bedrijven. Welke gevolgen had de crisis voor elk bedrijf?
– Een binnenvaartschipper vervoert spullen uit de Rotterdamse haven naar Duitsland, maar door de crisis is er minder handel en vraag naar
spullen in Duitsland en heeft de schipper minder werk.
– Een elektronicabedrijf verkoopt luxe radio’s in binnen- en buitenland, maar door de crisis hebben mensen minder geld voor luxeproducten en kan het bedrijf minder producten verkopen.

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht 6b
Gebruik bron 4. Welk gevolg van de crisis zie je hier?
  • Het gevolg is dat er (veel) werkloosheid was.

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht 6c
Stel, de kostwinner van een arbeidersgezin verliest zijn baan. Bedenk zelf twee gevolgen hiervan voor dat gezin.
  1. er is minder geld voor voedsel of kleding.
  2. het gezin kan de huur niet meer betalen en komt op straat te staan.

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht 7
Is de zin een oorzaak (O) of een gevolg (G) van de crisis in de jaren 1930?
Zet een O of een G voor elke zin.
  1. Amerikaanse burgers en bedrijven hadden hoge schulden. O
  2. De wereldhandel nam sterk af. G
  3. In veel landen nam de werkloosheid toe. G
  4. Veel mensen probeerden tegelijk hun aandelen te verkopen. O

Slide 19 - Tekstslide

Opdracht 7
Is de zin een oorzaak (O) of een gevolg (G) van de crisis in de jaren 1930?
Zet een O of een G voor elke zin.
  1. Amerikaanse burgers en bedrijven hadden hoge schulden. O
  2. De wereldhandel nam sterk af. G
  3. In veel landen nam de werkloosheid toe. G
  4. Veel mensen probeerden tegelijk hun aandelen te verkopen. O

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht 9a
Hoe heette de fascistische partij in Duitsland?
  • De NSDAP: de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij.

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht 9b
Hieronder staan vier kenmerken van het fascisme. Schrijf telkens op welk idee van Hitler daarbij paste.
– Tegen democratie:
  • er moet een sterke leider zijn.
– Volk is een eenheid:
  • het volk moet gehoorzamen aan de leider (extreem nationalisme)
– Extreem nationalisme:
– Geweld is niet erg

Slide 22 - Tekstslide

Opdracht 9b
Hieronder staan vier kenmerken van het fascisme. Schrijf telkens op welk idee van Hitler daarbij paste.
– Extreem nationalisme:
  • Duitsland moet weer sterk worden/ chauvisme
– Geweld is niet erg:
  • tegenstanders mag je met geweld bestrijden.

Slide 23 - Tekstslide

Opdracht 9c
Maak de zin kloppend.
Jodenhaat is een kenmerk van het fascisme / nationaalsocialisme.
  • nationaalsocialisme

Slide 24 - Tekstslide

Opdracht 10a
Na welk jaar kreeg de NSDAP veel meer stemmen?
  • Nadat de economische crisis was begonnen in 1929 nam het aantal stemmen in 1930 toe.

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht 10b
Leg uit om welke reden de NSDAP juist vanaf dat jaar veel stemmen kreeg.
  • In 1929 was er een grote economische crisis uitgebroken. In Duitsland was veel werkloosheid en mensen waren ontevreden over de regering. De NSDAP beloofde de problemen op te lossen.

Slide 26 - Tekstslide

Opdracht 10c
Gebruik ook bron 5. Leg uit welk verband er is tussen wat je ziet in bron 5 en het aantal zetels van de NSDAP in 1932.
– In bron 5 zie je 
  • dat mensen weinig geld hebben. Ze kopen eerst eten en als er wat over is, betalen ze ook de huur. Ze steunen de NSDAP en de communisten.

Slide 27 - Tekstslide

Opdracht 10c
Gebruik ook bron 5. Leg uit welk verband er is tussen wat je ziet in bron 5 en het aantal zetels van de NSDAP in 1932.
– Het gevolg daarvan zie je in bron 6, omdat 
  • je daar ziet dat de NSDAP in 1932 veel stemmen kreeg.

Slide 28 - Tekstslide

Opdracht 11a
Hoe heette de fascistische partij in Nederland?
  • De NSB: de Nationaalsocialistische Beweging.

Slide 29 - Tekstslide

Opdracht 11b
De Nederlandse fascist Anton Mussert wilde een Groot Nederland, dat moest bestaan uit Nederland, België en een deel van Frankrijk. Bij welk kenmerk van het fascisme past dit idee?
A Een sterke leider.
B Extreem nationalisme.
C Geweld en soldaten zijn belangrijk.
D Een sterke eenheid maken van het volk.

Slide 30 - Tekstslide

Opdracht 12a

Slide 31 - Tekstslide

Opdracht 12b

Slide 32 - Tekstslide

Opdracht 12c

Slide 33 - Tekstslide

Huiswerk
3.7 | Jozef Stalin en de Sovjet-Unie
lees blz. 176
opdrachten 3, 4d, 5b-c-d, 6c en 7

Slide 34 - Tekstslide