Voorzetsels + 4e naamval en prs.vnw 1e en 4e naamval (gram C)

Vz met de 4e naamval en de persoonlijke vnw in de 1e en in de 4e naamval

In deze les kijk je of je de grammatica beheerst en kunt toepassen
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Vz met de 4e naamval en de persoonlijke vnw in de 1e en in de 4e naamval

In deze les kijk je of je de grammatica beheerst en kunt toepassen

Slide 1 - Tekstslide

Zinsontleding

Slide 2 - Tekstslide

Zinsontleding

Slide 3 - Tekstslide

Seite 67
Neem bovenstaande bladzijde voor je en lees beide theorieblokken over de grammatica grondig door.
timer
5:00

Slide 4 - Tekstslide

Trage die Präpositionen mit dem Akkusativ ein.

Slide 5 - Woordweb

Präpositionen mit dem  4. Fall
Voorzetsels behorend bij 4e naamval: dofegub
1. durch = door
2. ohne = zonder                           
3. für = voor
4.entlang = langs                                     
5. gegen = tegen
6. um = om
7. bis = tot

Voorzetsels:
in de kast, op de kast, naast de kast, etc.

Slide 6 - Tekstslide

Trage die Personalpronomen
im 1. Fall ein.

Slide 7 - Woordweb

Persoonlijk voornaamwoord in de
 1e naamval = onderwerp

1e naamval:
ik         jij      hij     zij      het     wij      jullie        zij         u
ich      du     er      sie    es        wir      ihr           sie        Sie 

  • Ik kom morgen ook. / Ich komme morgen auch.
  • ik / ich = onderwerp

Slide 8 - Tekstslide

Trage die Personalpronomen
im 4. Fall ein.

Slide 9 - Woordweb

Persoonlijk voornaamwoord 
1e en 4e naamval
1e naamval:
  • ik          jij         hij        zij        het        wij      jullie      zij               u
  • ich       du       er         sie        es         wir     ihr          sie              Sie 

4e naamval:
  • mij       jou      hem    haar    het       ons     jullie     hun/hen     u  
  • mich   dich   ihn       sie       es          uns     euch    sie                Sie


Slide 10 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord in de 
4e naamval = lijdend voorwerp
In het Nederlands:
Zin: Heb je ik gezien?
ik --> mij
Correct is: Heb je mij gezien?
In het Duits:
Zin: Hast du ich gesehen?
ich --> mich
Correct is: Hast du mich gesehen?
Het lijdend voorwerp is in het Duits de 4e naamval.
Vraag: wie/wat + gezegde + onderwerp
In de voorbeeldzin:
  • Vraag: Wie/wat heb jij gezien?
  • Antwoord: mij / mich

Slide 11 - Tekstslide

1/3
... ... (Zonder jullie) ist die Reise nicht halb so toll.

Slide 12 - Open vraag

2/3
Habt ihr einen Prospekt ... ... (voor ons) mitgebracht?

Slide 13 - Open vraag

3/3
Es geht immer [om haar] ... ... .

Slide 14 - Open vraag

Persoonlijk voornaamwoord 4e naamval
Wat betekent 'durch ihn' in het Nederlands?
A
door hem
B
door haar
C
door ons
D
door jullie

Slide 15 - Quizvraag

Vul de juiste vorm van het persoonlijk voornaamwoord in
Ich kaufe für …….. (hem) ein T-Shirt.
A
er
B
ihn
C
ihm

Slide 16 - Quizvraag

Is ihr in deze zin een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?
Ich habe es ihr nicht erzählt.
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 17 - Quizvraag

kies het juiste persoonlijk vnw:

Warum hat ___ mich nicht eingeladen.
A
er
B
ihn

Slide 18 - Quizvraag

Persoonlijk voornaamwoord 4e naamval
Wat betekent 'zonder jou' in het Duits?
A
ohne du
B
um dich
C
ohne dich
D
ohne ihn

Slide 19 - Quizvraag

Stappenplan

Stap 1:  Staat er een voorzetsel +4 in de zin?

(durch, ohne, für, entlang, gegen, um, bis, )

Ja? > 4e naamval: 

Nee? > Ga naar stap 2


Stap 2: Ontleden / vragen stellen

1e naamval: onderwerp (wie/wat + gezegde) 

4e naamval: lijdend voorwerp (wie/wat + gezegde + onderwerp)

Slide 20 - Tekstslide

1. (hem) Mario kommt. Patrick spielt heute Tennis gegen .......

Slide 21 - Open vraag

2. (u) Das Sportprogrammheft ist für .......

Slide 22 - Open vraag

3 (jij) Hast ...... was gegen mich ?

Slide 23 - Open vraag

4 (haar) Ich habe ....... leider nicht gesehen.

Slide 24 - Open vraag

5 (jullie) Wann holt der Trainer ..... ab.

Slide 25 - Open vraag

6 (haar) Nur durch ...... haben wir verloren.

Slide 26 - Open vraag

Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 27 - Open vraag

Hierna volgt nog een dia met een ezelsbruggetje om de voorzetsels met de 4e naamval beter te onthouden.



Slide 28 - Tekstslide

7 voorzetsels die altijd met de 4e naamval samen gaan.
durch = door
ohne = zonder
für = voor
entlang = langs
gegen = tegen
um = om 
 bis = tot

Ezelsbruggetje
Dofegub

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Aan het werk...
- Aufgabe 2 und 6 Schritt 37 und Aufgabe 2 und 7 Schritt 38
- Arbeitsbuch Seite 24-37
-Fertig? Verdieping of extra oefening via  https://oscarromerotalen.nl/Duits/Oefeningen/Grammatica.htm
Oefeningen 1-10 t/m 1-23
Geen behoefte aan? Leesboekje (Heisse spür in München)

Slide 31 - Tekstslide

Ik ken de voorzetsels van de 4e naamval en beheers nu de grammatica
Ja
Nein
Jein

Slide 32 - Poll