Proefwerkvoorbereiding H4

Goedemorgen
Boeken op tafel
Bladzijde 129
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Goedemorgen
Boeken op tafel
Bladzijde 129

Slide 1 - Tekstslide

Agenda
Vandaag:
4.4 samen nakijken
Herhaling paragraaf 4.1 en 4.2

Maandag: Herhaling paragraaf 4.3 en 4.4

Vrijdag: 4 april proefwerk hoofdstuk 4

Slide 2 - Tekstslide

Proefwerk hoofdstuk 4
voorbereiding
Proefwerk staat gepland op vrijdag 4 april

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoel
  • Je kunt uitleggen wat een bedrijfskolom is en hoe bedrijven waarde toevoegen.
  • Je kunt uitleggen wat productiefactoren zijn, deze 3 benoemen en voorbeelden geven. 
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen bedrijfskosten en maatschappelijke kosten.
  • Je kunt uitleggen (met voorbeeld) wat duurzaam produceren is.
  • Je kunt uitleggen wat recycling (met voorbeelden) en wat circulaire economie is.

Slide 4 - Tekstslide

4.1
  • Je kunt uitleggen wat produceren is en wat productiefasen zijn. 
  • Je kunt uitleggen wat een bedrijfskolom is en hoe bedrijven waarde toevoegen.
  • Je kunt uitleggen wat productiefactoren zijn, deze 3 benoemen en voorbeelden geven. 
  • Je kunt de kostprijs per product en de totale productiekosten berekenen.

Slide 5 - Tekstslide

Bedrijfskolom
Alle bedrijven die na elkaar aan een product
werken, zijn samen de bedrijfskolom.


Slide 6 - Tekstslide

Toegevoegde waarde
Elk bedrijf in de bedrijfskolom
voegt waarde toe. 

Toegevoegde waarde =
Verkoopprijs - inkoopprijs.

Slide 7 - Tekstslide

Bereken de toegevoegde waarde
van de chipsfabriek.

Slide 8 - Open vraag

Wat is de toegevoegde waarde van de chipsfabriek?
Verkoopprijs - kostprijs = toegevoegde waarde
Chipsfabriek koopt de producten voor €0,19
Chipsfabriek verkoopt de producten voor €1,15
€1,15 - €0,19 = €0,96

Slide 9 - Tekstslide

Welk bedrijf voegt de minste waarde toe?

Slide 10 - Tekstslide

3 productiefactoren + voorbeelden
Ik KAN produceren
  • Kapitaal: geld voor aankoop van kapitaalgoederen (machines die je gebruikt voor productie)
  • Arbeid: het werk dat mensen doen (medewerkers)
  • Natuur: alles wat de natuur levert, zoals grondstoffen (kolen, ijzererts, water, koffiebonen, aardappelen)

Slide 11 - Tekstslide

Wat zijn de 3 productiefactoren?

Slide 12 - Open vraag

4.2
  • Je weet wat milieuschade is en kan hier voorbeelden van geven.
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen bedrijfskosten en maatschappelijke kosten.
  • Je kunt uitleggen (met voorbeeld) wat duurzaam produceren is.
  • Je kunt uitleggen wat recycling (met voorbeelden) en wat circulaire economie is.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Maatschappelijke kosten
Bedrijfskosten
CO2 uitstoot
Bedrijfs-auto
Afval van producten
Huur

Slide 15 - Sleepvraag

Duurzaam produceren en circulaire economie





Circulaire economie/kringloopeconomie:
Alles wat te maken heeft met het kopen, gebruiken en verkopen van hergebruikte/gerecyclede producten. Duurzaam produceren is dus ook onderdeel van de circulaire economie, net als bijvoorbeeld ook Marktplaats, Vinted of kledingruil. 

Slide 16 - Tekstslide

Leg uit hoe kringloopwinkels en websites zoals Marktplaats en Vinted bijdragen aan een kringloopeconomie/circulaire economie.

Slide 17 - Open vraag

Huiswerk ter voorbereiding proefwerk
Pagina 138 en 139 serieus maken

Volgende les
4.3 en 4.4

Slide 18 - Tekstslide

Agenda
Nakijken herhalingsopdrachten
Checkvragen 4.1 en 4.2
Herhaling 4.3 en 4.4

Slide 19 - Tekstslide

4.1
  • Wat is een bedrijfskolom?
  • Hoe voegen bedrijven waarde toe?
  • Wat zijn de 3 productiefactoren?
  • Hoe bereken je de kostprijs per product?

Slide 20 - Tekstslide

4.2
  • Wat is een voorbeeld van milieuschade? 
  • Wat is het verschil tussen bedrijfskosten en maatschappelijke kosten?
  • Wat is duurzaam produceren? 
  • Wat is recycling? 
  • Wat is de circulaire economie?

Slide 21 - Tekstslide

Hoe wil jij het liefst deze les leren?
Zelfstandig met mijn boek
Klassikaal met Lesson Up

Slide 22 - Poll

Zelfstandig?
Je werkt in stilte en zonder iPad.
Maak de opdrachten van hoofdstuk 4 die je nog niet hebt gemaakt.
Klaar? Maak de samenvattingsopdracht en de rekenopgaven.

Slide 23 - Tekstslide

4.3
  • Je kunt drie redenen noemen waarom bedrijven investeren + voorbeelden van investeren.
  • Je kunt afschrijvingen per jaar en totale afschrijvingen berekenen.
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen mechanisering en automatisering.
  • Je kunt uitleggen wat arbeidsproductiviteit is en wat dit met de kostprijs per product te maken heeft.

Slide 24 - Tekstslide

Ik koop een telefoon van €1.000. De telefoon gaat 5 jaar mee. Wat is mijn afschrijving per jaar?

Slide 25 - Open vraag

Verschil mechaniseren en automatiseren
d
d



Slide 26 - Tekstslide

Mechanisering
Automatisering

Robotisering
Auto's
Hijskraan
Zelfrijdende auto's

Slide 27 - Sleepvraag

Arbeidsproductiviteit

Slide 28 - Tekstslide

Waarom leidt hogere arbeidsproductiviteit vaak tot meer winst voor bedrijven?

Slide 29 - Open vraag

4.4
  • Je kunt uitleggen wat een ondernemer is + verschil met werknemer.
  • Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen arbeidsintensief en kapitaalintensief produceren. 
  • Je kunt uitleggen wat omzet is en de omzet berekenen.
  • Je kunt de winst berekenen. 

Slide 30 - Tekstslide









Arbeiders = werkende mensen
Intensief = veel/zwaar








Kapitaal = geld
Kapitaalgoederen = machines

Slide 31 - Tekstslide

Kapitaalintensief
Arbeidsintensief
Supermarkt
School
Landbouw
Fabrieken

Slide 32 - Sleepvraag

Omzet = afzet x verkoopprijs
Omzet (ook wel verkoopopbrengst genoemd)
Afzet = het aantal producten/diensten dat je verkoopt
Verkoopprijs = voor hoeveel geld je 1 product of dienst verkoopt

Wie heeft er een ondernemer in de familie?

Slide 33 - Tekstslide

Yuki verkoopt 150 kilo appels voor € 3 per kilo. Wat is de omzet van Yuki?

Slide 34 - Open vraag

Yuki heeft een omzet van €600. De verkoopprijs is €3 per kilo. Hoeveel kilo appels heeft Yuki verkocht?

Slide 35 - Open vraag

Abel's webshop heeft een omzet van €1000. De kosten zijn €920. Hoeveel is de winst van Abel?

Slide 36 - Open vraag