4M - Par. 7.3 - Nederland en de EU

Hoofdstuk 7 
Nederland en het buitenland

Par. 7.3 - Nederland en de EU
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 7 
Nederland en het buitenland

Par. 7.3 - Nederland en de EU

Slide 1 - Tekstslide

7.3 Nederland en de EU
  • Ik kan uitleggen welke afspraken er binnen de Europese Unie zijn
  • Ik kan vertellen waarom er ook verschillen zijn tussen EU-landen
  • Ik kan vertellen wat de taken van de ECB zijn

Slide 2 - Tekstslide

7.3 Nederland en de EU
Interne markt
Economische samenwerking tussen de lidstaten van EU 
  • Vrij verkeer van goederen en diensten
  • Vrij verkeer van personen
  • Vrij verkeer van kapitaal

Slide 3 - Tekstslide

Vrij verkeer van goederen en diensten
Vrij verkeer van personen
Vrij verkeer van kapitaal
In een ander land wonen, werken of studeren
Een rekening hebben in een ander land
Producten kopen uit een ander land

Slide 4 - Sleepvraag

7.3 Nederland en de EU
Verschillen
Er bestaan ook verschillen binnen de EU
  • verschillende tarieven voor btw en vennootschapsbelasting
  • sociale zekerheid in elk land anders geregeld

  • verschillen in milieuregels

Hierdoor ontstaat er oneerlijke concurrentie.
Mogelijke oplossing: harmonisatiehet op elkaar afstemmen en gelijktrekken van de regels en wetten.


Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

EMU =
A
Europees Multicultureel Universum
B
Extra Marginale Uitvoer
C
Europese Monetaire Unie
D
Europese Minimum Uitvoerregels

Slide 7 - Quizvraag

7.3 Nederland en de EU
EMU
Europese Monetaire Unie
  • Gezamenlijke munteenheid, de euro
  • De Eurozone bestaat uit 20 EU-landen


Slide 8 - Tekstslide

7.3 Nederland en de EU
EMU
Voordelen voor de handel: geen wisselkoers, makkelijk prijzen vergelijken

Toetreding tot de EMU: financiële eisen
  • Begrotingstekort is niet hoger dan 3% van het bbp.
  • Totale schuld van de overheid is lager van 60% van het bbp.


Slide 9 - Tekstslide

ECB =
A
Europese Centrale Bank
B
Europees Centraal Bureau
C
Europese Circulaire Belastingtarieven
D
Extreem Centraal Belastingplan

Slide 10 - Quizvraag

7.3 Nederland en de EU
ECB
Europese Centrale Bank
  • De waarde van de euro bewaken (prijsstabiliteit) door het rentepeil te  bepalen:
      1. Rente verhogen -> minder lenen, meer sparen -> daling inflatie
      2. Rente verlagen-> meer lenen, minder sparen -> stijging inflatie
  • Nieuwe bankbiljetten in omloop brengen. 


Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Als de ECB de rente verhoogt, dan...
A
Is het wel interessant om te lenen, maar niet om te sparen. Hierdoor gaan mensen meer geld uitgeven.
B
Is het wel interessant om te lenen, maar niet om te sparen. Hierdoor gaan mensen minder geld uitgeven.
C
Is het niet interessant om te lenen, maar wel om te sparen. Hierdoor gaan mensen meer geld uitgeven.
D
Is het niet interessant om te lenen, maar wel om te sparen. Hierdoor gaan mensen minder geld uitgeven.

Slide 13 - Quizvraag

Als mensen meer gaan sparen en dus minder geld uitgeven, dan...
A
Neemt inflatie toe want er is meer aanbod dan vraag naar producten.
B
Neemt inflatie af want er is meer aanbod dan vraag naar producten.
C
Neemt inflatie toe want er is minder aanbod dan vraag naar producten.
D
Neemt inflatie af want er is minder aanbod dan vraag naar producten.

Slide 14 - Quizvraag

In 2022 was de inflatie torenhoog. Om dit tegen te gaan...
A
Verhoogt de ECB het rentepeil.
B
Verlaagt de ECB het rentepeil.

Slide 15 - Quizvraag

Het op elkaar afstemmen en gelijktrekken van de regels en wetten =
A
Vrijhandel
B
Interne markt
C
Harmonisatie
D
Prijsstabiliteit

Slide 16 - Quizvraag

Een land heeft een hoge staatsschuld en een groot begrotingstekort.
Gevolg =
A
Mag toetreden tot de ECB
B
Mag niet toetreden tot de EMU
C
Er mag niet met dit land gehandeld worden
D
De ECB gaat de rente verhogen

Slide 17 - Quizvraag

Wat is GEEN taak van de ECB?
A
Rentepeil aanpassen
B
Zorgen voor prijsstabiliteit
C
Nieuwe bankbiljetten in omloop brengen
D
De wisselkoers bepalen

Slide 18 - Quizvraag

Aan de slag
Par. 7.3 - Nederland en de EU

Opdracht 2, 4, 6, 7, 10 en 11
blz. 210 t/m 213

Slide 19 - Tekstslide