De ene partij beschikt over meer informatie dan de andere partij. Dit doet zich voor bij verzekeringen wanneer de ene partij meer weet (van de kans op schade) dan de andere.
Averechts selectie
Houdt in dat de mensen met een hoog risico (slechte risico’s) zich wel verzekeren en de mensen met een laag risico (‘goede risico’s’) niet. Terwijl een verzekeraar voorzichtige personen (goede risico’s) wil, selecteren ze onvoorzichtige personen (slechte risico’s). Voor voorzichtige mensen zullen de kosten van verzekeren hoger zijn dan de verwachte uitkering.
Moral hazard (= moreel wangedrag)
Het gevaar dat men zich achteloos en onverantwoordelijk gaan gedragen, als ze zelf niet opdraaien voor de kosten.
Slide 11 - Tekstslide
Gevolgen
Marktfalen
De vrije marktwerking wordt verstoord. Op de markt komt geen optimale situatie tot stand.
Om marktfalen tegen te gaan, zullen verzekeraars proberen meer informatie te krijgen van de potentiële klant.
Transactiekosten
Meer informatie verzamelen verhoogt de transactiekosten. Dit zijn de kosten die gemaakt worden om een (verzekerings) overeenkomst te realiseren en na te leven.
Druk die wordt uitgeoefend om te zorgen dat iedereen zich aan een regel houdt. Dit kan door vastgelegde regels (wetten) die met sancties (strafmaatregelen) worden gehandhaafd, maar ook met ongeschreven regels, sociale normen. Bijvoorbeeld een verplichte verzekering. Ook: het verplicht stellen van het vakbondslidmaatschap.
Premiedifferentiatie (vermindert Averechtse selectie en Moral hazard)
Verschillen in premie tussen verzekerden. De slechte risico’s betalen meer premie dan de goede risico's. Vermindert Averechtse selectie en Moral hazard!
Eigen risico (of maximum vergoeding, vermindert Averechtse selectie en Moral hazard)
Het bedrag dat je als verzekerde zelf moet betalen bij schade.
Bonusmalus regeling (vermindert Averechtse selectie en Moral hazard)
Degenen die weinig schade veroorzaken, krijgen korting op de premie (bonus) en degenen die veel schade veroorzaken, moeten extra premie (malus) betalen.
Slide 13 - Tekstslide
H3. Vraag en aanbod
Belangrijkste punten
Slide 14 - Tekstslide
Vraag (Qv) is afhankelijk van
prijs (p)
stand van de economie
inkomen (van de consumenten)
bevolkingsomvang (aantal consumenten)
behoefte (voorkeur van de consumenten)
prijzen van substitutie (vervangende) goederen
prijzen van complementaire (aanvullende) goederen
wettelijke bepalingen (zoals subsidies)
incidentele factoren (zoals terrorisme, epidemie of ramp)
Slide 15 - Tekstslide
Betalingsbereidheid
Slide 16 - Tekstslide
Vraagfunctie
Wat is het verband tussen de prijs (P = oorzaak)
en de gevraagde hoeveelheid (Qv = gevolg)?
Dit is een negatief verband omdat als de prijs (P)
daalt, de gevraagde hoeveelheid (Qv) stijgt en als de
prijs (P) stijgt, de gevraagde hoeveelheid (Qv) daalt.
Vraagfunctie: Qv = -20P + 324
Let op: hoeveelheid (Q) op de horizontale as,
en de prijs (P) op de verticale as!
Slide 17 - Tekstslide
Qv = -20P + 324. Bereken de gevraagde hoeveelheid bij p = 5? Laat je berekening zien.
Punt 2. vul een grotere P in dan bij punt 1, en bereken Qa!
Qa (P=20) = 5 x € 20 - 25 = 75 (75; 20)
Slide 26 - Tekstslide
Producentensurplus
Stel je de aanbodlijn Qa rechts voor en de marktprijs
van het product is € 25. Voor een producent die
bereid was om dit product ook voor € 15 aan te
bieden, is de prijs van € 25 een mooie meevaller.
De producent ontvangt meer dan de prijs waarvoor
hij bereid was het product aan te bieden. Wanneer
we al deze individuele meevallers bij elkaar optellen,
vinden we het producentensurplus (groene deel).
Hoe groter het surplus, hoe efficiënter de uitkomst
(= welvaart).
Slide 27 - Tekstslide
Verschuiving langs en van de aanbodlijn
Verschuiving langs de aanbodlijn: prijs (p)
Verschuiving van de aanbodlijn (zie figuur rechts):
aantal aanbieders
kosten
wettelijke bepalingen (zoals heffingen)
innovatie
Slide 28 - Tekstslide
H4. De arbeidsmarkt
Belangrijkste punten
Slide 29 - Tekstslide
Arbeidsmarkt
Werkgelegenheid
het aantal feitelijk bezette banen en vacatures in een land
het aantal personen dat een baan heeft en bestaat uit:
mensen in loondienst (werknemers)
zelfstandigen
de werkgelegenheid kan worden uitgedrukt in
arbeidsjaren (voltijdbanen)
in personen
Beroepsbevolking
personen tussen 15 en 75 jaar die willen en kunnen werken: zij bieden arbeid aan op de arbeidsmarkt, en bestaat uit:
mensen in loondienst (werknemers)
zelfstandigen
geregistreerde werklozen
Slide 30 - Tekstslide
Arbeidsmarkt (kenmerken)
De arbeidsmarkt is geen perfecte markt omdat hij minder flexibel is door:
demografische factoren (zoals vergrijzing)
stand van de economie (arbeid is een grote kostenpost voor bedrijven)
invloed van de overheid (zoals het minimum loon) en werkgever- en werknemersorganisaties (zoals de CAO = Collectieve Arbeids Overeenkomst)
het 'product arbeid' is niet homogeen (zoals kwaliteiten, opleiding en specialisatie)
geen vrije toetreding (zoals opleiding) en uittreding (zoals ontslagrecht)
arbeidscontract: vast/flexibel, tijdelijk/onbepaalde tijd en fulltime/parttime
verplichte verzekeringen tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en pensioen
Gevolg: flexibilisering van de arbeidsmarkt met ZZP'ers en zelfstandigen met personeel
Slide 31 - Tekstslide
Werkloos
De werkloze beroepsbevolking bestaat uit:
alle 15- tot 75-jarigen die in Nederland wonen
die geen betaald werk hebben
maar wel recent naar werk hebben gezocht
en daarvoor direct beschikbaar zijn
Slide 32 - Tekstslide
Werkloosheid (soorten / oorzaken)
Frictie werkloosheid (de tijd tussen 2 banen)
Seizoen werkloosheid (seizoenafhankelijk zoals de horeca en recreatie)
Regionale werkloosheid(Randstad versus de rest van NL)
Conjuncturele werkloosheid(tijdelijk geringe bestedingen, deze vraag naar arbeid volgt de economische conjunctuur)
Structurele werkloosheid (structurele oorzaken zoals automatisering, mechanisering en verplaatsing naar het buitenland, deze vraag naar arbeid komt niet meer terug)
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.