Eerste les HV1Q

Welkom

Wat heb je vandaag nodig?
Je boek voor Nederlands, een schrift en een pen.

Heb je dit voor je?
Wees stil, dan kunnen we snel beginnen :) 
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom

Wat heb je vandaag nodig?
Je boek voor Nederlands, een schrift en een pen.

Heb je dit voor je?
Wees stil, dan kunnen we snel beginnen :) 

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
- Introductie van het vak Nederlands
- Afspraken in de les
- Werken in het boek
- Pauze! (5 min) Daarna begint de volgdende les Nederlands ;)

Slide 2 - Tekstslide

Waar denk je aan bij het vak Nederlands?

Slide 3 - Tekstslide

Wat verwacht ik van jullie?
1. Dat je op tijd in de les bent
2. Dat je mobiel in je tas zit bij binnenkomst
3. Dat je je spullen bij je hebt (leesboek, boek, schrift en pen)
4. Dat als iemand de beurt heeft, het verder stil is in de klas
5. Dat je elkaar met respect behandelt

'Momentje vrij? Boek erbij!'



Slide 4 - Tekstslide

Opdracht
Wat? Lezen: blz. 9 t/m 12, maken: opdracht 1, blz. 13
Hoe? We lezen samen, opdracht 1.1 t/m 1.3 maken we samen, de andere opdrachten maak je alleen. 
Tijd? Je hebt tot het einde van de les om de opdracht af te maken
Klaar? Je mag verder werken aan opdracht 2 

Slide 5 - Tekstslide

Pauze!
Als we een blokuur les hebben (dus twee lessen achter elkaar), krijg je altijd 5 minuutjes pauze tussen de lessen door. In deze pauze mag je even naar wc, even je benen strekken en natuurlijk mag je kletsen met je klasgenoten. (Je telefoon blijft in je tas). 
timer
5:00

Slide 6 - Tekstslide

Wat gaan we verder doen?
13.25 - 13.40 - Uitleg infinitief
13.40 - 14.00 - Zelf aan de slag 
14.00 - 14.10 - Opdracht 32 bespreken
14.10 - 14.15 - Afsluiting van de les








Slide 7 - Tekstslide

Werkwoorden
Ik ga er een beetje van uit dat je weet wat werkwoorden zijn. Zo heb je bijvoorbeeld lopen, fietsen en schaatsen als voorbeelden.

Werkwoorden kunnen in verschillende vormen voorkomen. Jij loopt, hij fietste, zij schaatsen etc. 

Slide 8 - Tekstslide

Infinitief
Een infinitief is een vorm van het werkwoord.

Met de infinitief wordt het hele werkwoord bedoeld. 
Loopt --> infinitief is dan lopen
Schaatst --> infinitief is dan schaatsen
Fietsten --> infinitief is fietsen fietsen

Slide 9 - Tekstslide

Noteer de infinitief van onderstaande woorden
1. duidt aan
2. toon aan
3. beoordeel 
4. bepaal
5. beredeneer
6. bevat
7. geldt 
8. illustreer
9. inhoudt
10. interpreteer
11. middel
12. observeer
13. raadpleeg
14. licht
15. vergelijk

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht 32. (blz. 28)
1. Lees de zinnen
2. Noteer de infinitief van de onderstreepte woorden
3. Zet de betekenis erbij --> Kies uit de betekenissen (zie einde opdracht) 


Slide 11 - Tekstslide

Zelfstandig werken
Wat? Maken 32 en 36 (blz. 28 en 30)
Hoe? Je mag zachtjes overleggen met je buurman/buurvrouw
Tijd? Je hebt hier tot het einde van de les de tijd voor
Hulp? Vraag eerst je buurman/buurvrouw. Daarna steek je je hand omhoog, dan beantwoord ik je vraag. 
Klaar? Maak opdracht 37 ook 

timer
15:00

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 32
We gaan opdracht 32 bespreken. Hierbij is het heeeeeeeeeel belangrijk dat je de juiste betekenis bij het juiste woord hebt opgeschreven, je dient dus mee te schrijven.

Over deze woorden (en de betekenissen) krijg je namelijk een toets!

Slide 13 - Tekstslide

Hoe ging het?
Wat vond je lastig, wat vond je makkelijk?

Huiswerk: opdracht 1 (blz. 13) (over het verhaal!)
opdacht 32 (blz. 28) (over moeilijke woorden) 

Neem een leesboek mee naar de volgende les.

Slide 14 - Tekstslide