Domein E, F, G

Examentraining
Domein E, F, G
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 49 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Examentraining
Domein E, F, G

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesopbouw
1. herhaling theorie domein E, F, G
2. samen oefenen
3. oefenopgaves maken

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ruilen over de tijd

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stroomgrootheid (periode)
voorraadgrootheid (nu)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ruilen over de tijd
Intertemporele ruil

Ruilen over de tijd betekent consumptie nu vervangen door consumptie in de toekomst (of andersom).

Prijs van tijd bij lenen/sparen?

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inflatie / deflatie
  • Het stijgen van de prijzen is inflatie


  • Het dalen van de prijzen in deflatie 

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld vragen aan de klas:

Als een fiets eerst €100,- kost de prijs stijgt naar € 200,- Is het Inflatie of deflatie

En Als een telefoon eerst €500 kost en nu € 400 is het Inflatie of deflatie
Reele rente
Nominale rente index
Reele rente index =   -------------------------   x 100                                                                              Prijsindex                                                                                    

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De Vermogensmarkt

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

contante/eindwaarde?

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Contante waarde (1)
Je kunt ook terugrekenen. Welk bedrag moet ik nu op mijn rekening zetten om over een aantal jaar een bepaald bedrag te krijgen?
  • Beginwaarde = contante waarde

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eindwaarde
Voor de berekening van de eindwaarde bij samengestelde interest (rente) kan je de onderstaande formule gebruiken. 



EW(n) = eindwaarde na een aantal perioden n
K = beginkapitaal
i = interestpercentage (interestpercentage/100)
n= aantal perioden

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De AOW
  • De AOW is geregeld in de Algemene ouderdomswet (AOW).
  • De AOW is gebaseerd op het omslagstelsel.
  • Een omslagstelsel is gevoelig voor veranderingen in de      bevolkingsopbouw.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kapitaaldekkingsstelsel
Een pensioenfonds (bedrijfspensioen) werkt volgens het kapitaaldekkingsstelsel.

De werkenden van nu betalen premie voor hun eigen pensioenuitkering voor later.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waardevast of welvaartsvast
Een pensioen is waardevast of welvaartsvast. 

Waardevast --> Uitkeringen die aangepast worden aan de inflatie

Welvaartsvast --> Uitkeringen die de loonontwikkeling volgen 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrotingssaldo 
Begrotingssaldo = Verschil tussen verwachten inkomsten en uitgaven.
Begrotingstekort= Meer uitgaven dan inkomsten.
Begrotingsoverschot =
Meer inkomsten dan uitgaven. 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Staatsschuld
  • Staatsschuld
  • Nederland 2020: 
  •      Schuld: €491mld
  •      Bbp: €778mld 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het groei en stabiliteitspact

Het groei en stabiliteitspact bestaat uit een aantal voorwaarden waaraan de lidstaten moeten voldoen om de inflatie te beperken.

Belangrijkste voorwaarden:
- staatsschuld mag niet boven 60% van het BBP uitkomen
- financieringstekort mag niet meer dan 3% van het BBP bedragen.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samen oefenen
1. Je hebt een spaarrekening waarop 1,2% samengestelde interest(rente) per jaar wordt gegeven. Je hebt op 1-1-2000 een bedrag van €5000 op deze spaarrekening gezet. Hoeveel geld staat er eind 2021, nadat de rente van 2021 is bijgeschreven op je spaarrekening? 
2. Op 1-1-2050 ga je met pensioen. Je wil je pensioen dan in 1 keer uit
laten keren en verwacht dan €250.000 te ontvangen. Hoeveel is die
uitkering van €250.000 op 1 januari 2022 waard, als je rekent met
een rente van 0,8% per jaar.  

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oplossingen
1. Eindwaarde = €5000 x (1 + (1,2 : 100))^22
Eindwaarde = €5000 x (1,012)^22
Eindwaarde = €6.500,42
2. Contante waarde = €250.000 : (1 + (0,8 : 100))
^28
Contante waarde = €250.000 : (1,008)^28
Contante waarde = €200.006,96

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Speltheorie

Producenten en consumenten moeten veel keuzes maken

We gebruiken in de economie vaak economiespellen om een echte situatie in theorie na te bootsen.

Dit heet speltheorie.


wiskundige manier om keuzeproblemen op te lossen. Gaat over gedrag van mensen. We gaan uit van rationeel gedrag



Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

simultaan / sequentieel spel
Simultaan spel: spelers moeten gelijktijdig hun actie bepalen.

Bij een sequentieel spel nemen de spelers na elkaar een beslissing. De eerste speler heeft daarbij wellicht voordeel, omdat hij rekening kan houden met de reactie van de andere speler.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spelers kiezen gelijktijdig
Eén speler kiest eerst
opbrengstenmatrix (simultaan spel)
spelboom (sequentieel spel)
Wat moet je kennen?

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

DOMINANTE STRATEGIE
Een dominante strategie is een strategie die een partij het beste resultaat oplevert, onverschillig de keuze van de andere partij.


Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het nash-evenwicht​
Wat is het nash-evenwicht?

Een Nash-evenwicht is een situatie binnen de speltheorie waarbij geen enkele speler zijn opbrengst kan verbeteren door eenzijdig een andere keuze te maken.​

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gevangenendilemma
Dominante strategie? Sub optimale uitkomst?

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitwerking gevangenendilemma
Bedrijf 1: Als bedrijf 2 zijn prijs verlaagt kan bedrijf 1 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 310 ipv 300). Als bedrijf 2 kiest voor prijs gelijkhouden dan kan bedrijf 1 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 420 ipv 330). Dus ongeacht wat bedrijf 2 doet bedrijf 1 kan het beste kiezen voor prijs verlagen want dat levert in beide situaties het meeste op.
Bedrijf 2: Als bedrijf 1 zijn prijs verlaagt kan bedrijf 2 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 410 ipv 400). Als bedrijf 1 kiest voor prijs gelijkhouden dan kan bedrijf 2 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 520 ipv 450). Dus ongeacht wat bedrijf 1 doet bedrijf 2 kan het beste kiezen voor prijs verlagen want dat levert in beide situaties het meeste op.
Conclusie: beide bedrijven hebben een dominante strategie voor prijzen verlagen maar dit is de sub-optimale utikomst want de winst voor beide bedrijven zou hoger zijn bij prijs gelijkhouden

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spelboom, sequentieel spel

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verzonken kosten

Verzonken kosten zijn kosten die al gemaakt zijn en niet kunnen worden teruggedraaid vanwege het specifieke karakter van de uitgave.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Berovingsprobleem
 Door verzonken kosten / specifieke investering ontstaat een berovingsprobleem. Degene die een specifieke investering heeft gedaan, wordt ‘chantabel’. Een ander kan dreigen deze persoon te ‘beroven’ van zijn investering. 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Risico en informatie

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wel of geen verzekering?
  • Hoe denkt de verzekerde / verzekeringsnemer over:
  • Risicoaversie: vermijden van risico
  • Risicospreiding: niet voor iedereen is het risico even groot
  • Solidariteit: mensen met weinig risico zijn bereid om te betalen voor mensen met een hoog risico
  • Afweging van kosten en risico 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eigen risico
Bij sommige verzekeringen moet je zelf een deel van de schade betalen. Dit noem je eigen risico.

Met een eigen risico betaal je minder premie dan bij een verzekering zonder eigen risico.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Premie berekenen
Risico = kans op schade x de gemiddelde hoogte van de schade 

Premie = Risico + winst/kostenoplag


Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeeld premie berekenen
Aantal verzekeringsnemers: 150.000
kans op schade: 1 op 100
verwachte schade per gebeurtenis: €3000

Bereken de premie die moet worden gevraagd door de verzekeringsmaatschappij om 500.000 euro winst te draaien.
Oplossing
150.000 mensen verzekeren zich. De kans op schade is 1 op 100. Dus bij 1500 mensen zal er schade ontstaan. De schade is dan 3000 euro. De verzekeringsmaatschappij moet er dan rekening mee houden dat ze 1500 x 3000 = 4.500.000 euro moeten uitkeren. Ze willen ook 500.000 euro winst maken. Dus in totaal moeten ze 5 miljoen euro ophalen. 5.000.000 : 150.000 = 33,33 euro per verzekerde aan premie per jaar

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Particuliere verzekeringen

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Collectieve verzekeringen

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Asymmetrische informatie
  • De ene persoon heeft meer informatie dan de andere persoon.
  • Bij verzekeren: Je weet dat je 4 gaatjes heb in je kiezen en je sluit snel een tandartsverzekering af voordat je ze laat vullen bij de tandarts. Verzekeringsonderneming weet niet dat je de 4 gaatjes hebt en schat je risico op gemiddeld in terwijl ze dus uiteindelijk veel kosten aan je hebben. 

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Averechste selectie
  • De goede risico's vinden de premie te hoog worden en stoppen met de verzekering.
  • Wat is het gevolg voor de premie?
  • De premie gaat nog verder omhoog, want minder mensen die alleen premie betalen en geen schade claimen. 
  • Wat is het gevolg?
  • Steeds meer mensen vinden de premie niet meer opwegen te het risico en gaan ook weg. 

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Moral hazard
  • In het Nederlands: moreel wangedrag
  • Wanneer mensen zich roekelozer gaan gedragen omdat ze toch wel verzekerd zijn en niet zelf hoeven op te draaien voor de schade. 

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Averechtse selectie/Moreel wangedrag bestrijden
Optie 1: 
  • Premiedifferentiatie toepassen. 
  • Verschillende groepen krijgen verschillende premies. 
  • Bepalen door bijvoorbeeld: vragenlijsten, woonplaats, leeftijd, aantal schades in het verleden. 
  • Doel: slechte risico's betalen een hogere premie en goede risico's betalen een lagere premie. 

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Averechtse selectie/Moreel wangedrag bestrijden
Optie 2: 
  • Vrijwillig eigen risico toepassen
  • Eigen risico: Dan moet je het eerste deel van een schade zelf betalen
  • Goede risico's zullen een hoog eigen risico instellen in ruil voor lagere premie. 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Averechtse selectie bestrijden
Optie 3: 
  • De overheid stelt de verzekering verplicht.
  • Welke 2 particuliere verzekeringen zijn verplicht?
  1. Zorgverzekering
  2. WA verzekering motorvoertuigen

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Principaal - agentrelatie

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beleggen:
    in effecten ("beursverhandelbare beleggingen"):

    1. aandelen
    2. obligaties van bedrijven
    3. obligaties van overheden


     
           

    Slide 44 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Rendement

    Slide 45 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    beleggingsopbrengsten
    rendement = dividend + koersstijging!!
    risicovoller = meer rendement

    Wat is effect van hoger wordende rente?

    Slide 46 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    a. Wat is het rendement als je een aandeel koopt van 25 euro en je verkoopt hem voor 30 euro?


    b. Wat is het rendement als je 1000 euro 2 jaar op een spaarrekening met 3,5% samengestelde interest zet?
    c. Als je een rendement van 4% behaalt en je koopt een obligatie van 1000, wat is dan je investeringsopbrengst?
    d. Als je een rendement van 2% behaalt en je investeringsopbrengst is 250 euro. Wat is dan je investering?





    antwoorden
    20%
    7,12%
    40
    12500

    Slide 47 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Opgave maken
    Prijsbeleid in de verf gezet
     Pensioenleeftijd
    Strijd om startups
    Uitvaartverzekeringen

    Slide 48 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Maken

    Slide 49 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies