Boek 4 deel 2

Boek 4 deel 2
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
Begrijpend lezenBasisschoolGroep 4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Boek 4 deel 2

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

vraag 1
Waar leven krokodillen vrij in de natuur?

Slide 3 - Tekstslide

Waar leven krokodillen vrij in de natuur?
A
in dierentuinen
B
in het water
C
in Nederland
D
in warme landen

Slide 4 - Quizvraag

vraag 2
Waar legt een krokodil haar eieren?

Slide 5 - Tekstslide

Waar legt een krokodil haar eieren?
A
op het land
B
in het water
C
in een boom
D
in een nest

Slide 6 - Quizvraag

vraag 3
Waarom is een krokodil een roofdier?

Slide 7 - Tekstslide

Waarom is een krokodil een roofdier?
A
Omdat hij planten eet.
B
Omdat hij andere dieren eet.
C
Omdat hij bloemen eet.
D
Omdat hij gras eet.

Slide 8 - Quizvraag

vraag 4
Lees het stukje met het haakje ervoor.

Wat is een prooi?

Slide 9 - Tekstslide

Wat is een prooi
A
Een dier dat beroofd wordt door een roofdier.
B
Een roofdier dat op zoek gaat naar eten.
C
Een dier dat door een roofdier opgegeven wordt.
D
Een dier dat naar de gevangenis moet.

Slide 10 - Quizvraag

vraag 5
Waar ligt een krokodil te wachten op zijn prooi?

Slide 11 - Tekstslide

Waar ligt een krokodil te wachten op zijn prooi?
A
In een kooi
B
In het water.
C
In de lucht.
D
In een boom

Slide 12 - Quizvraag

vraag 6
Hoe vangt de krokodil zijn prooi?

Slide 13 - Tekstslide

Hoe vangt de krokodil zijn prooi?
A
Door stil te liggen en daarna aan te vallen.
B
Door harde geluiden te maken.
C
Door meteen aan te vallen.
D
Door te blaffen en daarna aan te vallen.

Slide 14 - Quizvraag

Welke zin is waar?
A
De krokodil houdt niet van water.
B
De krokodil wordt maar vijf jaar oud.
C
De krokodil bestaat niet meer.
D
De krokodil kan honderd jaar oud worden.

Slide 15 - Quizvraag

Waar gaat deze tekst vooral over?
A
Over hoe je de krokodil vangt.
B
Over hoe de krokodil wordt geboren.
C
Over wat voor dier de krokodil is.
D
Over de eieren van de krokodil.

Slide 16 - Quizvraag

Slide 17 - Tekstslide

vraag 1
Wie maakt de sneeuwpop?

Slide 18 - Tekstslide

Wie maakt de sneeuwpop?
A
mama
B
een sjaal
C
de vertellen van dit gedicht
D
de sneeuwpop

Slide 19 - Quizvraag

vraag 2
lees de zin met het                    ervoor

Wie mag de bezem lenen? 

Slide 20 - Tekstslide

Wie mag de bezem lenen?
A
niemand
B
de sneeuwpop
C
mama
D
de verteller van dit gedicht

Slide 21 - Quizvraag

vraag 3
Waarom lacht de sneeuwpop?

Slide 22 - Tekstslide

Waarom lacht de sneeuwpop?
A
Omdat hij aardig is
B
Omdat hij boos is
C
Omdat hij vrolijk is
D
Omdat hij droevig is

Slide 23 - Quizvraag

vraag 4
Wat heeft de sneeuwpop NIET

Slide 24 - Tekstslide

Wat heeft de sneeuwpop NIET
A
een wortel als neus
B
een mond gemaakt van steentjes
C
een hoed op zijn hoofd
D
ogen gemaakt van knopen

Slide 25 - Quizvraag

vraag 5
lees de zin met het                ervoor

Wat doet mama?

Slide 26 - Tekstslide

Wat doet mama?
A
ze maakt de witte ballen
B
ze rust uit bij de open haard
C
ze tekent de mond
D
ze zet de hoed op de sneeuwpop

Slide 27 - Quizvraag

vraag 6
Lees het stukje met het haakje ervoor

Wat kun je zeggen over de verteller?

Slide 28 - Tekstslide

Wat kun je zeggen over de verteller?
A
De verteller is blij, maar ziek
B
De verteller is trots, maar zenuwachtig
C
De verteller is tevreden, maar moe
D
De verteller is gelukkig, maar verkouden

Slide 29 - Quizvraag

Kies een nieuwe titel voor dit gedicht.
Welke titel past het best?
A
Ik maak een sneeuwpop
B
Ik ben een sneeuwpop
C
Buiten is het koud
D
Sneeuwballen maken

Slide 30 - Quizvraag