Modals

Een modal is.....?
A
een model
B
een hulpwerkwoord
C
een hoofdwerkwoord
D
een medaille
1 / 16
volgende
Slide 1: Quizvraag
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Een modal is.....?
A
een model
B
een hulpwerkwoord
C
een hoofdwerkwoord
D
een medaille

Slide 1 - Quizvraag

What does the modal verb say?

I can do that for you.
A
zekerheid
B
verplichting
C
mogelijkheid
D
toestemming

Slide 2 - Quizvraag

De modal should betekent...?
A
een dringend advies
B
een verplichting
C
een vrijblijvend advies

Slide 3 - Quizvraag

Kies: must of mustn't
A
You must worry about Sarah. She will be fine
B
You mustn't worry about Sarah. She will be fine.

Slide 4 - Quizvraag

have to =
A
vanuit jezelf
B
vanuit een ander

Slide 5 - Quizvraag

have to:
A
Zou moeten
B
moet
C
mag
D
kan

Slide 6 - Quizvraag

Wanneer gebruik je "to be able to"
A
voor een vaardigheid
B
als je ergens toe in staat bent
C
kan allebei

Slide 7 - Quizvraag

Fill in the right modal: They...........stop eating sweets before they get sick!

Slide 8 - Open vraag

Fill in the right modal: .............I go to the toilet, please?

Slide 9 - Open vraag

Fill in the correct modal: You ...............to stop talking during class if you don't want to get detention!

Slide 10 - Open vraag

ought to is similar to
A
can
B
should
C
have to
D
may

Slide 11 - Quizvraag

You generally use not
A
before a modal
B
after a modal

Slide 12 - Quizvraag

Fill in with the right modal: She ...........speak French when she lived in Paris.

Slide 13 - Open vraag

Choose the right modal:
You ............smoke in an airplane. It's forbidden.
A
shouldn't
B
must not
C
don't have to
D
cannot

Slide 14 - Quizvraag

Choose the right modal: When we were kids we ............go out after 8 pm.
A
cannot
B
shouldn't
C
couldn't

Slide 15 - Quizvraag

Write one sentence containing a modal verb.

Slide 16 - Open vraag