- Du kannst Fragen zu einem Video beantworten, das sich auf einem Zeltplatz spielt.
- Du kannst den Imperativ bilden.
Slide 3 - Tekstslide
Programm
Welches Buch hast du Gewählt?
Tipps: Buch lesen
Video sehen
Hausaufgaben machen
Slide 4 - Tekstslide
Bücher
Welches Buch hast du gewählt?
Slide 5 - Tekstslide
Hoe ziet de toets eruit?
Je krijgt meerkeuze vragen over gebeurtenissen uit het boek.
Dit gaat niet over kleine details, maar het is wel handig om te weten waar je de antwoorden terug kunt vinden.
Slide 6 - Tekstslide
Tips
Maak na het lezen van ieder hoofdstuk een korte samenvatting.
Maak een lijstje met kenmerken voor de belangrijkste personen in het boek.
Let op! Je mag niks in je boek schrijven en geen
post-its in je boek plakken.
Slide 7 - Tekstslide
das Präsens
Die Prüfung ist erst in Periode 3.
Es ist zu viel Lernstoff um auf einmal zu lernen.
Jede Stunde ein bisschen üben.
Slide 8 - Tekstslide
das Präsens
Wat zijn de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits?
Oefening in tweetallen: Je krijgt een stapel met kaartjes. Leg ze op de juiste volgorde neer.
Denk aan: Feesttenten/ eettenten/ feesteteneten.
Slide 9 - Tekstslide
Präsens
werkwoorden stam op -d, -t,
-nen of -men
werkwoorden stam op
sis-klank
ich
stam + e
stam + e
stam + e
du
stam + st
stam + est
stam + t
er/ sie/ es
stam + t
stam + et
stam + t
wir
stam + en
stam + en
stam + en
ihr
stam + t
stam + et
stam + t
sie/ Sie
stam + en
stam + en
stam + en
Slide 10 - Tekstslide
das Präteritum
Hoe maak je 'das Präteritum' (= de verleden tijd) in het Duits?
Slide 11 - Tekstslide
Präteritum
ich
stam + te
du
stam + te + st
er/ sie/ es
stam + te
wir
stam + te + en
ihr
stam + te + t
sie/ Sie
stam + te + en
Slide 12 - Tekstslide
das Partizip
Hoe maak je das Partizip (= het voltooid deelwoord) in het Duits?
Slide 13 - Tekstslide
das Partizip
Zwakke werkwoorden
= ge + stam + t
Stam op -d / -t
= ge + stam + et
Werkwoord op -ieren
= stam + t
Werkwoord met voorvoegsel (be-, ver-, ent-)
= stam + t
Slide 14 - Tekstslide
Memory
Leg de kaartjes met de plaatjes en de tekst naar beneden op tafel.
Om de beurt is er iemand aan de beurt. Je draait 2 kaartjes om. Is dit het Duitse woord en het plaatje dat erbij hoort, dan ben je nog een keer aan de beurt.
Is dit niet wat bij elkaar hoort? Dan is de volgende aan de beurt.
Slide 15 - Tekstslide
Video sehen
Aufgabe 1 Seite 14 machen
Beantworte die Fragen und Sprich mit deinem Nachbarn/ deiner Nachbarin.
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.