Les 3 Bijvoeglijk naamwoord

1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Wat leer je vandaag?
  • Ik spel bijvoeglijke naamwoorden correct.
  • We weten wat bijvoeglijk naamwoord is.
  • We kunnen een bijvoeglijk naamwoord vinden in een tekst.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Link

Theorie bijvoeglijke naamwoorden
Een bijvoeglijk naamwoord:
  • vertelt iets over een zelfstandig naamwoord
  • kan voor en achter een zelfstandig naamwoord staan,
    bijvoorbeeld: De blauwe trui is kapot.
  • stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zeggen van welk materiaal iets is gemaakt, bijvoorbeeld: de zilveren ring

Slide 4 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden

1. Het oude flatgebouw in onze straat wordt de komende maanden opgeknapt.
2. De gele trein rijdt richting Eindhoven. 
3. Mijn moeder wil niet in een heel lelijk flatgebouw zonder lift wonen.
4. Mariëtte gaat vanavond bowlen met haar beste vriendinnen.
5. Die jongen heeft verkering met het kleinste meisje in de klas.

Slide 5 - Tekstslide

Welk woord is het bijvoeglijk naamwoord?
'De meester zag haar ingespannen gezichtje dat zich over het taalschrift boog.'
A
meester
B
gezicht
C
ingespannen
D
zich

Slide 6 - Quizvraag

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Omdat mijn moeder een andere baan kreeg.'
A
mijn
B
andere
C
omdat
D
kreeg

Slide 7 - Quizvraag

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Jij lijkt me een heel serieus meisje met een groot verantwoordelijkheidsgevoel.'
A
heel
B
serieus
C
met
D
groot

Slide 8 - Quizvraag

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Judith trok een vragend gezicht.'
A
vragend
B
trok
C
gezicht
D
Judith

Slide 9 - Quizvraag

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Een stil meisje, smalletjes, ze hield zich nogal afzijdig',
somde Evelien de Bruin op.
A
stil
B
meisje
C
somde
D
op

Slide 10 - Quizvraag

Vul het bijvoeglijk naamwoord in.
lief - Het ........ meisje zat achter in de klas.

Slide 11 - Open vraag

Vul het bijvoeglijk naamwoord in.
zorgelijk - Er verscheen een ...... rimpel in zijn voorhoofd.

Slide 12 - Open vraag

Vul het bijvoeglijk naamwoord in.
smal - Ze schoof haar fiets in het ....... gangetje.

Slide 13 - Open vraag

De
mooie
bloemen
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord

Slide 14 - Sleepvraag

Welk woord is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de zin?

Je kunt in de koude winter je mooie handen het best beschermen met leren handschoenen.
A
koude
B
mooie
C
beschermen
D
leren

Slide 15 - Quizvraag

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het werkwoord.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het bijvoeglijk naamwoord? In de zin:
Het kleine huisje staat in het bos.
A
in
B
huisje
C
kleine
D
bos

Slide 17 - Quizvraag

Heb jij de lekkere koekjes al gegeten?
A
koekjes
B
gegeten
C
lekkere

Slide 18 - Quizvraag

Ga jij de spannende wedstrijden van het WK kijken?
A
het WK
B
spannende
C
kijken
D
jij

Slide 19 - Quizvraag

Aan de slag!
  • Ga naar Taalverzorging
  • Klik op 3.6 Bijvoeglijk naamwoord
  • Maak opdracht 1 t/m 5 
  • Klaar? Maak eerdere paragrafen af (zie bericht via Teams)

Slide 20 - Tekstslide