1. Het
oude flatgebouw in onze
straat wordt de komende maanden opgeknapt.
2. De gele trein rijdt richting Eindhoven.
3. Mijn moeder wil niet in een heel lelijk flatgebouw zonder lift wonen.
4. Mariëtte gaat vanavond bowlen met haar beste vriendinnen.
5. Die jongen heeft verkering met het kleinste meisje in de klas.