Spreekwoorden en uitdrukkingen

Taal met een knipoog!
M. Samyn
1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Taal met een knipoog!
M. Samyn

Slide 1 - Tekstslide

Bekijk de foto op de volgende dia.
Wat loopt er fout in deze situaties?

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Wat loopt er fout in deze situaties?

Slide 4 - Open vraag

Een gesprekspartner vat de woorden letterlijk of figuurlijk op en begrijpt niet dat de andere de zaken soms letterlijk of figuurlijk bedoelt.
--> misverstand

Slide 5 - Tekstslide

Leg kort in eigen woorden uit wat het verschil is tussen figuurlijk en letterlijk taalgebruik.

Slide 6 - Open vraag

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Zijn de onderstreepte woorden letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Slide 10 - Tekstslide

Jef krijgt weer de schuld... Hij is dan ook altijd het
zwarte schaap.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 11 - Quizvraag


Je gezicht ziet helemaal rood. Komt het door de warmte of ben je grieperig?
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 12 - Quizvraag


Volgende week trekken we naar Marokko. Mijn vrienden zien groen van jaloezie.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 13 - Quizvraag


Mijn handen jeuken na de afwas. Ben ik allergisch aan een product?
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 14 - Quizvraag


Gezinnen met geldproblemen zien vaak zwarte sneeuw.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 15 - Quizvraag

We vinden figuurlijk taalgebruik ook in spreekwoorden en uitdrukkingen.

Slide 16 - Tekstslide

Lees de volgende tekst. 

Slide 17 - Tekstslide

Tom had een gat in zijn hand en gaf zijn geld uit zonder erbij na te denken. Al snel zat hij met de gebakken peren, want hij kon zijn huur niet meer betalen en stond op straat. Zijn vrienden probeerden hem te helpen, maar hij wilde geen water bij de wijn doen en bleef vasthouden aan zijn dure levensstijl.

Op een dag kreeg hij eindelijk een kans op een nieuwe baan, maar omdat hij geen kaas had gegeten van boekhouding, beet hij zijn tanden stuk op de test. Tot overmaat van ramp is hij ook nog eens tegen de lamp gelopen toen hij probeerde een vriend om wat geld te vragen zonder zijn schuld terug te betalen.

Nu stond hij met de rug tegen de muur en moest hij toegeven dat hij zijn leven moest beteren. Misschien moest hij toch maar leren sparen, zodat hij de volgende keer op rozen zat in plaats van in de problemen!

Slide 18 - Tekstslide

In de tekst zijn er enkele uitdrukkingen/spreekwoorden te vinden. Welke? Geef er minstens drie.

Slide 19 - Open vraag

Wat betekenen de volgende spreekwoorden/uitdrukkingen volgens jou?

Slide 20 - Tekstslide

Met de gebakken peren zitten

Slide 21 - Open vraag

Water bij de wijn doen

Slide 22 - Open vraag

Ergens geen kaas van hebben gegeten

Slide 23 - Open vraag

Op rozen zitten

Slide 24 - Open vraag

Ergens zijn tanden op stukbijten

Slide 25 - Open vraag

In de volgende slide, verbind het figuurlijke taalgebruik met het letterlijk taalgebruik

Slide 26 - Tekstslide

tegen de lamp lopen
werkloos zijn, geen onderdak hebben
Goed met planten en bloemen kunnen omgaan
Vaak stelen
Iemand blij maken met iets wat niet doorgaat

Betrapt worden
Op straat staan
Groene vingers hebben
Lange vingers hebben
Iemand blij maken met een dode mus

Slide 27 - Sleepvraag

Vul de volgende spreekwoorden/uitdrukkingen aan.

Slide 28 - Tekstslide

een ... mond hebben

Slide 29 - Woordweb

de ... kwijt zijn

Slide 30 - Woordweb

Dat kun je wel op je
... schrijven

Slide 31 - Woordweb

Je ... ergens voor ophalen

Slide 32 - Woordweb

Kies het juiste spreekwoord.

Slide 33 - Tekstslide

"Tim koopt altijd dure kleding en gadgets, maar hij heeft nooit geld over om zijn huur te betalen."
A
Een zware jongen
B
Een gat in zijn hand hebben.
C
Op rozen zitten.
D
Niet in je kaarten laten kijken.

Slide 34 - Quizvraag

"Emma heeft geen verstand van technologie en snapt niets van haar nieuwe telefoon."
A
Ergens geen kaas van gegeten hebben.
B
Water bij de wijn doen.
C
De mist ingaan.
D
Een lijn trekken.

Slide 35 - Quizvraag

"Mark beloofde om Lisa te helpen met haar werk, maar op het laatste moment liet hij haar in de steek."
A
Met de rug tegen de muur staan.
B
Iemand in de kou laten staan.
C
Lange tenen hebben.
D
op rozen zitten.

Slide 36 - Quizvraag

Waar of niet waar

Slide 37 - Tekstslide

"Ergens zwaar aan tillen" betekent iets belangrijk vinden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 38 - Quizvraag

"Het staat voor de deur" betekent brutaal zijn.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 39 - Quizvraag

"Een diepe zucht" betekent een luide zucht.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 40 - Quizvraag

"Het raakt me diep" betekent iemand met opzet erg kwetsen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 41 - Quizvraag

"Lange tenen hebben" betekent snel beledigd zijn.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 42 - Quizvraag

Combineer de juiste helft

Slide 43 - Tekstslide

Houden
Zitten
Iemand tegen de schenen ... 
Iemand in de kou laten ...
Iemand aan het lijntje ...
Iemand op de hielen ...
Schoppen
Staan 

Slide 44 - Sleepvraag

Kies het passende spreekwoord/ de passende uitdrukking.

Slide 45 - Tekstslide

Je besteedt te veel geld en kunt niet goed sparen.
A
een zware jongen
B
iemand tegen de schenen schoppen
C
een gat in zijn hand hebben
D
iemand in de kou laten staan

Slide 46 - Quizvraag

Iemand doet een belofte, maar die wordt niet waargemaakt
A
iemand blij maken met een dode mus
B
iemand aan het lijntje houden
C
niet in je kaarten laten kijken
D
ergens zwaar aan tillen

Slide 47 - Quizvraag

Je hebt een probleem en moet nu zelf de gevolgen dragen
A
iemand tegen de schenen schoppen
B
je neus ergens voor ophalen
C
ergen zijn tanden in stukbijten
D
met de gebakken peren zitten

Slide 48 - Quizvraag

Je hebt een groot geheim en wilt niet dat anderen weten wat je gaat doen.
A
iemand op de hielen zitten
B
niet in je kaarten laten kijken
C
tegen de lamp lopen
D
één lijn trekken

Slide 49 - Quizvraag

Je weet niet meer wat je moet doen en hoe je verder moet gaan.
A
ergens je neus voor ophalen
B
ergens zwaar aan tillen
C
met de rug tegen de muur staan
D
een gat in zijn hand hebben

Slide 50 - Quizvraag

Klik op de volgende link om het grote kruiswoordraadsel op te lossen.

Slide 51 - Tekstslide

Slide 52 - Link