PTA bespreken

Communiceren doe je samen 2
Op tafel: Niks
Regels: 
  • Jas uit en over je stoel.
  • Telefoon in je tas.
  • Tas op de grond.
  • Als de docent praat, houd jij je mond. 
  • Als een medeleerling een vraag beantwoordt, houd jij je mond.
  • Als je een opdracht moet maken, dan schrijf je het antwoord in je schrift of examenbundel. 
  • Als je een vraag hebt, steek je je hand op.

Als je niet van plan bent om je aan deze regels te houden, dan werk je verder in de aula. 
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 47 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Communiceren doe je samen 2
Op tafel: Niks
Regels: 
  • Jas uit en over je stoel.
  • Telefoon in je tas.
  • Tas op de grond.
  • Als de docent praat, houd jij je mond. 
  • Als een medeleerling een vraag beantwoordt, houd jij je mond.
  • Als je een opdracht moet maken, dan schrijf je het antwoord in je schrift of examenbundel. 
  • Als je een vraag hebt, steek je je hand op.

Als je niet van plan bent om je aan deze regels te houden, dan werk je verder in de aula. 

Slide 1 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
  • Zelfstandig PTO inzien
  • Klassikaal bespreken
  • Individuele vragen
Vandaag dinsdag 1 april:

Slide 2 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Zelfstandig inzien van PTO

26 punten = 5,5
51 punten = 10

De minpunten tellen nu nog niet mee. 

Straks klassikaal bespreken
Daarna individuele vragen
timer
4:00

Slide 3 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Lees tekst 1
Vraag 1 - 1p
De titel van tekst 1 luidt ‘De markt van nu’.
Citeer de twee opeenvolgende zinnen uit de alinea’s 1 tot en met 4 van tekst 1 waaruit het best blijkt wat deze ruilhandel inhoudt.

  • “Steeds meer mensen maken, net als Juul Martin, gebruik van onbenutte spullen of diensten die anderen ter beschikking stellen. Vaak betalen ze er een bescheiden bedrag voor, soms stellen ze er een wederdienst tegenover.” (regels 35-41)

Slide 4 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2,3 - 1p - 1p
Tekst 1 kan na de inleiding worden onderverdeeld in vijf opeenvolgende delen die van de volgende kopjes kunnen worden voorzien:
Deel 1: Bloei van de deeleconomie
Deel 2: Reactie van de politiek op de deeleconomie Deel 3: Nieuwe kansen voor de deeleconomie
Deel 4: De keerzijde van de deeleconomie Deel 5: Geloof in de toekomst
2 Bij welke alinea begint deel 3?
  • alinea 6
3 Bij welke alinea begint deel 4?
  • alinea 9

Slide 5 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2,3 - 1p
4 Wat wil het Tweede Kamerlid Van Tongeren met het voorbeeld van Peerby duidelijk maken?
Zij wil duidelijk maken dat
A deelinitiatieven misschien wel efficiënt zijn als het om
gebruiksvoorwerpen gaat, maar niet geschikt zijn als het om diensten gaat.
B de grote gevolgen voor de economie kunnen zijn dat consumenten minder aankopen doen doordat ze meer met elkaar gaan delen.
C de toename van deelinitiatieven momenteel sneller gaat dan de economie kan bijhouden waardoor de welvaart in Nederland zal afnemen.
D de politiek de trends op het gebied van deelinitiatieven van een afstand volgt en passend zal reageren op de ontwikkelingen.
  • antwoord B

Slide 6 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 5 - 5p
In tekst 1 komen positieve kanten van de deeleconomie aan bod. Deze kunnen in onderstaand schema worden samengevat.
 Vul onderstaand schema aan.
Noteer steeds het nummer en het bijbehorende antwoord.

Slide 7 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2

Slide 8 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 5 - 5p
In tekst 1 komen positieve kanten van de deeleconomie aan bod. Deze kunnen in onderstaand schema worden samengevat.
Vul onderstaand schema aan.
Noteer steeds het nummer en het bijbehorende antwoord.
1 We kunnen efficiënter omgaan met goederen.
2 Het past in het ideaal van de participatiemaatschappij (die de overheid voorstaat).
3 Het levert financieel voordeel op.
4 Het is duurzaam.
5 Het contact met andere mensen is leuk.

Slide 9 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 6 - 1p
“‘Want als het echt groot wordt’, (…) ‘kan dat negatieve gevolgen hebben voor de werkgelegenheid.” (regels 84-88)
Uit tekst 1 blijkt dat Van de Glind het niet eens is met deze redenering.
Citeer een zin uit alinea 8 die uitlegt waarom de gevolgen voor de werkgelegenheid volgens Van de Glind mee zullen vallen.
  • “Er zijn dan minder banen, maar de drempel tot ondernemerschap is verlaagd.” (regels 170-172), of:
  • “Het geld dat mensen niet uitgeven aan auto’s of boormachines geven ze aan andere dingen uit.” (regels 164-167)

Slide 10 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 7 - 1p
In alinea 8 betoogt Van de Glind dat we door de komst van de deeleconomie geen economische krimp hoeven te verwachten.
Welk argumentatieschema gebruikt Van de Glind vooral om dit standpunt te onderbouwen?
Hij gebruikt vooral een argumentatieschema op basis van
A autoriteit.
B oorzaak en gevolg.
C vergelijking.
D voor- en nadelen.

  • antwoord C

Slide 11 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 8 - 4p
Noteer vier verschillende belangrijke bezwaren tegen de deeleconomie uit tekst 1 van de critici van die deeleconomie.
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 8 - 4p
Noteer vier verschillende belangrijke bezwaren tegen de deeleconomie uit tekst 1 van de critici van die deeleconomie.
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
  • Deugden als vriendelijkheid en gastvrijheid zijn volledig geëconomiseerd. / Het is een (ongewenste) extreme vorm van kapitalisme.
  • Deeleconomie is een containerbegrip geworden waaronder ook initiatieven vallen die niets met delen te maken hebben. / Sommige initiatieven hebben niets met delen te maken.
  • Mensen krijgen (zo) steeds minder privacy. / Bedrijven beschikken over steeds meer informatie van mensen.
  • Er ontstaat een risico op monopolievorming.
  • Het systeem van reviews is onwenselijk. / Het systeem van reviews is beperkt en kan oneerlijk zijn.
  • Er verdwijnt werkgelegenheid / we krijgen een lager BNP.

Slide 16 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 9 -5p
Juul Martin is in alinea 14 van tekst 1 “onveranderd enthousiast over de deeleconomie”. (regels 289-291)

Vat Martins redenering uit alinea 14 samen door onderstaand schema aan te vullen.
Noteer steeds de nummers en de bijbehorende antwoorden. Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.

Slide 17 - Tekstslide

Lees alinea 14 helemaal, wat nu? 

Slide 18 - Tekstslide

Ga op zoek naar de informatie die je hebt gekregen. 
Begin vanaf hier en werk naar buiten toe:

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 10 - 1p
Wat is het belangrijkste doel van tekst 1?
In de tekst wordt de lezer vooral:
A geïnformeerd over de voor- en nadelen van de deeleconomie.
B gewaarschuwd voor de nadelige gevolgen van de deeleconomie.
C overtuigd van de positieve kanten van de deeleconomie.
D enthousiast gemaakt over de kansen van de deeleconomie
  • Antwoord: A

Slide 21 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 11 - 1p > tekst 2
Welke opmerking sluit het best aan bij de inleiding (alinea’s 1 en 2) van de tekst ‘Stoppen of doorgaan’?
De inleiding bestaat voornamelijk uit:
A een aanduiding van het huidige probleem in de boekenbranche.
B een constatering dat het niet slecht gaat in de boekenbranche.
C een introductie van belangrijke personen in de boekenbranche.
D een voorbeeld van succesvolle genres in de boekenbranche.
  • Antwoord: A

Slide 22 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 12 - 3p
‘Om dat te voorkomen, beknibbelen de uitgevers op de kosten.’ (regels 56-57)
Op welke vier manieren doen ze dat, volgens de tekst?
Gebruik voor je antwoord niet meer dan 30 woorden.
>> 4 manieren, maar slechts 3 punten, dus: 
indien vier goed > 3p
indien drie goed > 2p
indien twee goed > 1p
indien minder dan twee goed > 0p

Slide 23 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 12 - 3p
‘Om dat te voorkomen, beknibbelen de uitgevers op de kosten.’ (regels 56-57)
Op welke vier manieren doen ze dat, volgens de tekst?
Gebruik voor je antwoord niet meer dan 30 woorden.

  • voorschotten schrijvers worden verlaagd of geschrapt
  • er is minder beursbezoek / beursbezoek wordt kritisch bekeken
  • vertrokken redacteuren worden niet vervangen
  • er worden minder nieuwe titels op de markt gebracht / er wordt gestopt met de spaghettimethode

Slide 24 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 13 - 2p
‘Sebes maakt zich er zorgen over dat literaire fictie het slachtoffer wordt van deze trend.’ (regels 84-86)
Op welke twee manieren wordt literaire fictie het slachtoffer?
Gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.

  • er verschijnen minder titels / minder literaire boeken
  • veelbelovende debutanten krijgen niet meer zo snel een kans
  • Opmerking: Geen scorepunten toekennen voor ‘stoppen met de spaghettimethode’

Slide 25 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 14 - 1p
Welke van de onderstaande zinnen drukt het best uit wat de
hoofdgedachte is van de tekst ‘Stoppen of doorgaan’?
A De toekomst van het boekenvak is afhankelijk van een toenemende verkoop van e-books.
B Een teruglopende boekenverkoop heeft negatieve gevolgen voor het aanbod van literaire uitgeverijen.
C Uitgevers van literaire werken organiseren steeds vaker activiteiten om de boekenverkoop te stimuleren.
D Om het teruglopen van de boekenverkoop tegen te gaan, zoeken uitgevers steeds vaker naar bestsellers.

  • Antwoord: B

Slide 26 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 15 - 1p
Welke van de onderstaande beweringen is het meest van toepassing op de tekst ‘Stoppen of doorgaan’?
In de tekst wordt
A de crisis in de boekenwereld geschetst en wordt door een aantal personen een toelichting daarop gegeven.
B het toekomstbeeld voor het boekenvak geschetst en wordt een aantal alternatieven daarvoor gegeven.
C een bezuinigingsvoorstel voor boekhandels geschetst en wordt een aantal uitwerkingen daarvan concreet gemaakt.
D een probleem van de boekenbranche geschetst en wordt door de auteur een aantal oplossingen daarbij voorgesteld.
  • Antwoord: A

Slide 27 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 16 - 1p > tekst 3
Wat is de belangrijkste functie van de alinea’s 4 tot en met 6 ten opzichte van alinea 3?
A constatering
B nuancering
C vergelijking
D weerlegging

  • Antwoord: D

Slide 28 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 17 - 1p
Tot mijn grote vreugde zie ik iets heel anders: op feestjes en bij literaire bijeenkomsten als “Kalf”, van onze uitgeverij, kom ik grote groepen jonge lezers tegen bij wie literatuur helemaal in is.’ (regels 69-75)
Een kritisch lezer zou kunnen wijzen op het gebruik van een drogreden in bovenstaand citaat.
Om welk type drogreden gaat het? een
A vals dilemma
B cirkelredenering
C overhaaste generalisatie
D verkeerde vergelijking
  • Antwoord: C

Slide 29 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 18 - 2p
‘Digitalisering is volgens mij eerder verkoopbevorderend dan nadelig.’ (regels 39-41)
In het vervolg van alinea 4 staan drie zinnen die de belangrijkste argumentatie bij dit standpunt bevatten.
Citeer die drie zinnen.

Let op: 3 zinnen gevraagd, maar slechts 2 punten, dus: 
indien drie goed  > 2p
indien twee goed > 1p
indien minder dan twee goed > 0p

Slide 30 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 18 - 2p
‘Digitalisering is volgens mij eerder verkoopbevorderend dan nadelig.’ (regels 39-41)
In het vervolg van alinea 4 staan drie zinnen die de belangrijkste argumentatie bij dit standpunt bevatten.
Citeer die drie zinnen.
  • “Uit onderzoeken … dan anderen.” (regels 41-44) 
  • “Bovendien zijn … wordt aangeschaft.” (regels 47-52) 
  • “In Amerika … ondergang.” (regels 52-54)

Slide 31 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 19 - 1p
‘Integendeel’ (regel 111)
Dit woord duidt op een tegenstelling.
Welke tegenstelling wordt hier bedoeld? de tegenstelling tussen
A de boekenverkoop in boekhandels en de online boekenverkoop
B het pessimisme en optimisme inzake de toekomst van het boekenvak
C het verleden en de toekomst in de wereld van de uitgevers
D de werkelijkheid van de journalistiek en die van de boekenbranche

  • Antwoord: B

Slide 32 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 20 - 1p
‘nu opeens ligt er een heel nieuw speelveld open.’ (regels 135-136)
 Wat wordt bedoeld met dat nieuwe speelveld?
A de aanpak van de boekencrisis
B de veranderingen in het boekenvak
C de verkoop van boeken op internet
D het ontwikkelen van het e-book



  • Antwoord: B

Slide 33 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 21 - 1p
In alinea 1 wordt de vraag gesteld hoe erg de ontwikkelingen in de boekenbranche zijn.
Welke toekomstvisie wordt in de tekst gegeven als antwoord op deze vraag?
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.

  • Vraag over alinea 1, maar antwoord vind je in alinea 6 of 8.
  • Die ontwikkelingen zijn een kans om het boekenvak/de uitgeverswereld te hervormen. / Door deze crisis in de uitgeverswereld wordt er eindelijk weer naar nieuwe mogelijkheden gezocht. / Deze crisis brengt de uitgeverswereld eindelijk weer eens in beweging.

Slide 34 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 22 - 1p > tekst 2 en 3 samen
In tekst 2 ‘Stoppen of doorgang’ komt het begrip ‘spaghettimethode’ aan bod (regel 81). In tekst 3 ‘Nieuws uit het boekenvak’ wordt gesproken over het begrip ‘bestselleritis’.
(regels 32 en 79)
Wat is de overeenkomst is tussen deze beide begrippen?

  • (De overeenkomst is) de jacht op bestsellers / het zoeken naar zeer goed verkopende boeken / veel geld (willen) verdienen aan goed verkopende boeken.

Slide 35 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 23 - 1p 
In alinea 7 van tekst 2 is sprake van veelbelovende debutanten die
moeilijker aan de bak komen. In tekst 3 komt deze term niet voor. Er kan echter een tegengestelde veronderstelling over veelbelovende debutanten worden afgeleid uit alinea 6 van tekst 3.
Welke veronderstelling is dat?
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 25 woorden.

  • Als een boek van een veelbelovende debutant het hart van de uitgever sneller doet kloppen, zal het uitgegeven worden. / Voor het uitgeven van een veelbelovende debutant zal een uitgever alles doen / zal een uitgever door roeien en ruiten gaan.

Slide 36 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 24 - 1p
In tekst 3 wordt tekst 2 ‘een zwartgallig stuk’ genoemd (regels 3-4, tekst 3).
Geef aan waarom deze typering wel terecht zou kunnen zijn.
Vul hiertoe het onderstaande antwoord aan. 
Ja, deze typering is wel terecht, want …

  • Neem dat standaard antwoord dus ook over!
  • (Ja, deze typering is wel terecht, want) in tekst 2 overheersen de negatieve geluiden over de boekenbranche.

Slide 37 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 25 - 1p
Geef aan waarom deze typering niet terecht zou kunnen zijn.
Vul hiertoe het onderstaande antwoord aan.
Nee, deze typering is niet terecht, want …

  • Neem dat standaard antwoord dus ook over!
  • (Nee, deze typering is niet terecht, want) in tekst 2 komen ook positieve geluiden over het boekenvak voor / tekst 2 maakt een zakelijke analyse van de boekenbranche.

Slide 38 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 26 - 1p > tekstfragment 1
Uit tekstfragment 1 blijkt een bepaalde visie op de boekenbranche.
Welke van onderstaande personen vertoont een visie die daar het meest mee in overeenstemming is?
A Hans Janssen, directeur uitgeverij, opgevoerd in alinea 8 van tekst 2
B Mizzi van der Pluijm, auteur van tekst 3
C Paul Sebes, literair agent, opgevoerd in tekst 2 en 3
D Wilco Dekker, auteur van tekst 2

  • Antwoord B

Slide 39 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 27 - 1p > tekst 4
‘Een vragenrondje in de Volkskrant leverde vooral lacherig commentaar op. Hoe ouderwets moet je zijn om heden ten dage nog met kledingvoorschriften op school aan te komen zetten? Iedereen weet toch dat tieners niets liever doen dan de grens opzoeken en die overschrijden? Kleding valt onder de individuele vrijheid van expressie en het getuigt van een benepen jarenvijftigmoraal om die te willen beperken.’ (regels 19-31)
Met welk woord kan de gevoelswaarde die uit deze reacties in de Volkskrant spreekt het best omschreven worden?
A opluchting
B sarcasme
C verwondering
D verwarring
  • Antwoord C

Slide 40 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 28 - 1p 
‘In de werksfeer kan de individuele expressie worden beknot ter wille van de zakelijkheid en daar kijkt niemand vreemd van op.’ (regels 73-77)
Welk van de onderstaande zinnen omschrijft het best wat hiermee bedoeld wordt?
Op de werkvloer is het normaal dat werknemers
A hun kledingkeuze zelf kunnen bepalen.
B hun kleding afstemmen op de bedrijfsnormen.
C zichzelf kunnen uiten in hun kledingkeuze.
D zakelijke kleding moeten dragen.

  • Antwoord B

Slide 41 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 29 - 1p 
Met welk begrip kan het verband tussen alinea 4 en het tweede deel van alinea 3 (vanaf regel 59) het best beschreven worden?
Alinea 4 vormt een
A tegenstelling met het gestelde in alinea 3.
B samenvatting van het gestelde in alinea 3.
C argument voor het gestelde in alinea 3.
D voorbeeld bij het gestelde in alinea 3.

  • Antwoord A

Slide 42 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 30 - 1p 
Volgens alinea 4 kunnen zowel docenten als leerlingen zich geen uitdagende kleding permitteren.
Leg uit waarom dit volgens de tekst zo is.
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 15 woorden.
  • Uitdagende kleding leidt af (van een taakgerichte werksfeer).

Slide 43 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 31 - 1p 
In tekst 4 worden verschillende argumentatieschema’s gebruikt, waaronder argumentatie met voorbeelden.
Wat voor argumentatieschema wordt naast argumentatie op basis van voorbeelden vooral gebruikt?
een argumentatieschema op basis van
A een oorzaak-gevolgrelatie
B kenmerk of eigenschap
C vergelijking
D voor- en nadelen

  • Antwoord C

Slide 44 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 32 - 2p 
Welke van onderstaande uitspraken geeft de hoofdgedachte van tekst 4 het best weer?
A De kledingrichtlijnen uit het bedrijfsleven kunnen ook doorgevoerd worden op scholen.
B Het zou niet gek zijn om op scholen enkele algemene kledingrichtlijnen voor de leerlingen aan te houden.
C Het is niet mogelijk om op scholen strikte kledingvoorschriften voor de leerlingen op te stellen.
D Het opstellen van kledingvoorschriften is ouderwets en beperkt de vrijheid van leerlingen te veel.

  • Antwoord B

Slide 45 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 33 - 3p 
Hieronder staan zeven beweringen die gebaseerd zijn op tekst 4.
1 Mode trekt zich weinig aan van weersomstandigheden.
2 Tieners zoeken graag grenzen op en overschrijden deze.
3 Het dragen van uitdagende kleding door leerlingen op school levert discussie op.
4 Werknemers vinden het normaal dat er kledingvoorschriften op het werk zijn.
5 Kleding kan gebruikt worden om een bepaalde boodschap over te brengen.
6 Het past binnen een taakgerichte werksfeer om rekening te houden met de kleding die je draagt.
7 Kledingvoorschriften voor wat je op welk moment van de dag hoort te dragen zijn afgeschaft.
Van bovenstaande beweringen moeten er drie worden opgenomen in een korte samenvatting van tekst 4. Welke drie beweringen zijn dat?
  • 3, 4, 6; elk 1p

Slide 46 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Tel je punten na en lever je toets weer in. 

De minpunten tellen nu nog niet mee. Op je examen wel!

26 punten = 5,5
51 punten = 10

individuele vragen

Slide 47 - Tekstslide