Zinnen maken + vraagzinnen met vraagwoorden en werkwoorden

Zinnen maken
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Zinnen maken

Slide 1 - Tekstslide

Doelen
1) Je kunt zinsdelen herkennen.
2) Je kunt  vraagwoorden noemen.
3) Je kunt een 3-2-1-vraagzin en
    een 1-2-3-vraagzin maken
    met een vraagwoord aan het begin.
4) Je kunt een vraagzin maken met een werkwoord aan het begin

Slide 2 - Tekstslide

Wat is een goede zin? 
      De man               pakt              het doosje       van de plank.
      Ik                           maak            een deuk          in de auto.
      De klok                hangt                                      aan de muur.
      De vis                   is                                                in de pan.

 


Wie/wat?
mens/ding

Werkwoord
(doet)
Wat?
Waar?

Slide 3 - Tekstslide

1 = onderwerp
2a en 2b de persoonsvorm en andere werkwoorden
3 = een ander zinsdeel, extra informatie

Slide 4 - Tekstslide

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
Wij
eten
pizza.

Slide 5 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
op maandag.
De les
is

Slide 6 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
staat
binnen.
De koe

Slide 7 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
3
in het ziekenhuis.
vandaag
De dokter
werkt

Slide 8 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
De vrouw
televisie.
kijkt

Slide 9 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
3
televisie.
De vrouw
kijkt
nu

Slide 10 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
ligt
Het meisje
in bed.

Slide 11 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
3
in bed.
ligt
boven
Het meisje

Slide 12 - Sleepvraag

Vraagzinnen maken.
Het meisje ligt in bed.




Ligt het meisje in bed?

Slide 13 - Tekstslide

Vraagzinnen
Werkwoord                Wie/wat?                    Wanneer/wat/waar?

Willen                              jullie                             thee?
Loopt                               hij                                  altijd naar school?
Ga                                     jij                                    boodschappen doen?

Slide 14 - Tekstslide

Let op!!!!!!!!!!!!!!
Vraagzin met jij? 
T WEG

Jij loopt naar school.
Loop jij naar school?

Slide 15 - Tekstslide

komt
hij
morgenmiddag

Slide 16 - Sleepvraag

lezen
het boek
jullie

Slide 17 - Sleepvraag

gaan
naar de tandarts
wij

Slide 18 - Sleepvraag

gaan
wij
overmorgen
naar de tandarts

Slide 19 - Sleepvraag

fietsen
zij
naar Frankrijk
volgende week

Slide 20 - Sleepvraag

bel
naar de huisarts
jij
morgen

Slide 21 - Sleepvraag

Maak een vraag:
Jullie gaan elke dag naar de Jumbo.

Slide 22 - Woordweb

Maak een vraag:
Jij zwemt altijd op zondag.

Slide 23 - Woordweb

Maak een vraag:
Wij vinden tekenen leuk.

Slide 24 - Woordweb

Maak een vraag:
Vissen leven in het water.

Slide 25 - Woordweb

Maak een vraag:
Jij maakt altijd grappen.

Slide 26 - Woordweb

Vraag
Welke vraagwoorden weet je?
Typ de vraagwoorden.

Slide 27 - Tekstslide

Vraagwoorden

Slide 28 - Woordweb

Vraagwoorden
De belangrijkste vraagwoorden
wie - wat - waar - wanneer - welke
waarom - hoe - hoeveel

Slide 29 - Tekstslide

3-2-1-vraagzinnen en 1-2-3-vraagzinnen
met een vraagwoord aan het begin
Uitleg
Een gesloten vraag begint met de persoonsvorm.
Gaat het goed?
Een open vraag begint met een vraagwoord.
Hoe gaat het?
Een vraagwoord is meestal een ander zinsdeel (3).
Het vraagwoord 'wie' is meestal het onderwerp (1).

Slide 30 - Tekstslide

3-2-1-vraagzinnen en 1-2-3-vraagzinnen
met een vraagwoord aan het begin
Voorbeelden
Wanneer
gaat
de jongen
naar Spanje?
3 ander zinsdeel
(tijd)
2 persoonsvorm
1 onderwerp
3 ander zinsdeel (plaats)
Wie
gaat 
morgen
Naar Spanje?
1 onderwerp
2 persoonsvorm
3 az (tijd)
3 az (plaats)

Slide 31 - Tekstslide

3-2-1-vraagzinnen en 1-2-3-vraagzinnen
met een vraagwoord aan het begin
Opdracht
Maak vraagzinnen met een vraagwoord aan het begin.
Sleep de woorden naar de goede plaats.

Slide 32 - Tekstslide

3 az tijd
2 pv
1 ond
3 az
plaats
gaat
wanneer
naar een andere school
de leerling

Slide 33 - Sleepvraag

1 ond
2 pv
3 az
tijd
3 az
plaats
wil
straks
naar de biblio-theek
wie

Slide 34 - Sleepvraag

3 az
manier
2 pv
1 ond
3 az
tijd
3 az
plaats
morgen
gaat
naar school
de leerling
hoe

Slide 35 - Sleepvraag

1 ond
2 pv
3 az
tijd
3 az
manier
3 az
plaats
speelt
wie
op het school-plein
in de pauze
basketbal

Slide 36 - Sleepvraag

2 pv
1 ond
3 az
tijd
3 az
manier
3 az
plaats
met haar broer
naar school
loopt
het meisje
elke dag

Slide 37 - Sleepvraag