Assisteren bij Dagbesteding en Welbevinden (terugkoppeling + les 5)

Assisteren bij Dagbesteding en Welbevinden
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
Ondersteunen bij ActiviteitenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Assisteren bij Dagbesteding en Welbevinden

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

- Motoriek
- Soorten activiteiten (sociaal, recreatief, educatief/cognitief...)
- Reminiscentie
- Zintuigen & geheugen
- Activiteitenplan
- Smart fomuleren

  • Dagritmekaart (opdr. 32)
  • Activiteitenplan bedenken (opdr. 36) (tweetallen)
  • Poster: activiteitenprogramma (opdr. 37) (tweetallen)
  • Folder: veilig speelgoed (tweetallen)
  • Collage: Sociaal doen (Sociaal gedrag, tweetallen)
Wat is nu behandeld?

Slide 3 - Tekstslide

Herhaling: Zintuigen en het geheugen
GeheugenOm iets te leren, moet het in je geheugen worden opgeslagen. Herinneringen opslaan in het geheugen verloopt in drie stappen:


Slide 4 - Tekstslide

Herhaling Zintuigen en het geheugen
  • activiteiten gericht op het gehoor: bijvoorbeeld muziek maken of naar muziek luisteren, een zin doorfluisteren, een gastspreker beluisteren, zingen
  • activiteiten gericht op het zien: bijvoorbeeld kunst bekijken, fotograferen, schimmenspel
  • activiteiten gericht op ruiken en proeven: bijvoorbeeld iets koken of iets bakken, geuren raden
  • activiteiten gericht op de tastzin: bijvoorbeeld een voeldoos, knutselen, op een warme dag onder de sproeier gaan.
Zintuigen


Slide 5 - Tekstslide

Activiteiten voor het stimuleren van de zelfredzaamheid
Doel zelfredzaamheid van de cliënt stimuleren;
- laat je de cliënt zo veel mogelijk zelf doen
  •   Bv. zelf gezicht wassen, jij wast de rug
  •   Rekening houden met de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt
  •   Zorg- of begeleidingsplan:  teruglezen wat een cliënt zelf kan en waar ondersteuning nodig is
- Kinderen en jongeren: Activiteiten gericht op het aanleren van zelfredzaamheid
  • Zelf veters strikken
  • Dichtritsen van de jas
  • Bij jongeren:  Zelfstandig koken, verzorgen van de huishouding
  • Omgaan met geld hoort ook bij de zelfredzaamheid.

Slide 6 - Tekstslide

Activiteiten voor het veranderen van het gedrag
Activiteiten die gericht zijn op het veranderen van het gedrag kun je verdelen in twee groepen:



  • activiteiten die het gedrag tijdelijk veranderen
  • activiteiten gericht op het langdurig veranderen van het gedrag.

Slide 7 - Tekstslide

Activiteiten die het gedrag tijdelijk veranderen
Het gedrag van de cliënt moet niet voor altijd veranderen, maar slechts tijdelijk.
Voorbeeld:  een kind dat steeds blijft vragen om snoep. Laat het kind meehelpen met koken en de gedachten aan snoep en daarmee het gedrag (dat jij vervelend vindt) zullen verdwijnen.

Slide 8 - Tekstslide

Activiteiten gericht op het langdurig veranderen van het gedrag
Activiteit om definitief gedrag te veranderen.
Gebruik van pictogrammen
- Voorbeeld:  Een kind dat bij het toiletbezoek vergeet om door te spoelen en zijn handen te wassen
  •  ‘Stappenplan’ met pictogrammen: Kies samen de plaatjes uit en laat ze inkleuren
  • Hang het stappenplan op de deur van het toilet
  • Heeft het kind de stappen gedaan, dan een sticker plakken op een beloningskaart
  • Na verloop van tijd zal het kind het vanzelf doen.

Slide 9 - Tekstslide

Activiteiten gericht op het langdurig veranderen van het gedrag
Activiteit om definitief gedrag te veranderen.
Gebruik van pictogrammen
- Voorbeeld:  Een kind dat bij het toiletbezoek vergeet om door te spoelen
en zijn handen te wassen
  •  ‘Stappenplan’ met pictogrammen: Kies samen de plaatjes uit, laat ze inkleuren
  • Hang het stappenplan op de deur van het toilet
  • Stappen gedaan? Dan een sticker plakken op een beloningskaart
  • Na verloop van tijd zal het kind het vanzelf doen.

Slide 10 - Tekstslide

Dagritmekaart

Slide 11 - Tekstslide

Doelen SMART formuleren

Slide 12 - Tekstslide

Doelen SMART formuleren

Slide 13 - Tekstslide

Werken met een activiteitenplan
  • staat alle informatie over de activiteit:
    de doelen van de activiteit, de doelgroep, een
    tijdsplanning, de taakverdeling, uitleg en regels
  • van belang dat je alles goed hebt voorbereid
  • kan voor één cliënt of voor een hele groep zijn
  • houd je rekening met de informatie uit het
    zorgplan en/of het begeleidingsplan van de cliënt
  • Je houdt rekening met wat de cliënt kan,
    maar ook met wat hij graag wil
  • Bij het uitwerken van het activiteitenplan
    beantwoord je de vijf W-vragen

Slide 14 - Tekstslide

Werken met groepen en groepsprocessen
  • Formele groep
    Een formele groep is een groep die door de organisatie is gemaakt. De deelnemers hebben de groep niet zelf samengesteld. Ze zijn een groep omdat de organisatie ze bij elkaar heeft ingedeeld.
    Voorbeelden van formele groepen zijn:
    - de klas waar je in zit
    - de afdeling waar je werkt
    - de projectgroep

  • Informele groep
Informele groepen bestaan omdat de groepsleden dit zelf willen. In principe vrijwillig,
maar het kan voorkomen dat groepsleden lid zijn door sociale druk.
Voorbeelden van informele groepen zijn:
- vriendenclub
- sportclub

Slide 15 - Tekstslide

Horizontale en verticale groepen
Horizontale groep
In een horizontale groep is de leeftijd van de deelnemers gelijk of de deelnemers hebben dezelfde leeftijdscategorie. Voorbeelden van horizontale groepen zijn:
  • een babygroep op een kinderdagverblijf
  • een peutergymclub
  • groep 1 tot en met 8 op de basisschool
  • een vakantiegroep voor 50-plussers

Verticale groepen
In verticale groepen hebben de deelnemers verschillende leeftijden.
Voorbeelden van verticale groepen zijn:
  • buitenschoolse opvang, kinderen van 5 tot 12 jaar
  • toeschouwers van een bioscoopfilm die geschikt is voor alle leeftijden.


Slide 16 - Tekstslide

Homogene en heterogene groepen
Homogene groep
Het woord homo betekent ‘gelijk’. In een homogene groep hebben de deelnemers een gemeenschappelijk kenmerk. Een groep met alleen maar vrouwen is een homogene groep omdat alle leden vrouw zijn.
  • Voorbeelden van homogene groepen zijn:
  • babygroep: de groep bestaat uit allemaal baby’s
  • mannenvoetbalclub: de groep bestaat uit allemaal mannen
  • groep vegetariërs bij een kookclub: de leden eten allemaal vegetarisch

Heterogene groep
Het woord hetero betekent ‘verschillend’. De deelnemers zijn verschillend. Een groep met mannen en vrouwen is een voorbeeld van een heterogene groep. Heterogene groepen zijn:
  • de klas waarin je zit
  • een korfbalteam; bij korfbal zijn de teams gemengd
  • een groep van de naschoolse opvang; de kinderen hebben verschillende leeftijden



Slide 17 - Tekstslide

Groepscultuur








Een groep kan een gemeenschappelijke cultuur hebben, dit noem je de groepscultuur. 

De groepscultuur is de manier waarop de verschillende personen uit de groep met elkaar omgaan. 
Het zijn de "ongeschreven" gedragsregels waaraan de leden zich houden.

Bij het uitvoeren van activiteiten is het van belang dat je rekening houdt met deze groepscultuur.

Slide 18 - Tekstslide

Ontwikkelingsfasen van een groep
Professor Tuckman heeft onderzoek gedaan naar de manier waarop groepen mensen zich vormen. Volgens Tuckman kun je bij de ontwikkeling van een groep vijf verschillende fasen (stappen) herkennen:

  1. vormfase
  2. stormfase
  3. normfase
  4. prestatiefase
  5. afscheidsfase.

Slide 19 - Tekstslide

Teamrollen: Belbin
https://www.123test.com/nl/groepsrollentest/ 

Slide 20 - Tekstslide