Wonen en Huishouden quiz over les 5

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
Wonen en huishoudenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide


Scan de QR code of ga naar lessonup.app
Wat weten jullie nog van de vorige les!?

Slide 2 - Tekstslide

Een informeel gesprek is bijv. het praatje bij de koffiemachine
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een formeel gesprek?
A
Probleemverhelderend gesprek
B
Motiverend gesprek
C
Slechtnieuwsgesprek
D
Ze zijn allemaal juist

Slide 4 - Quizvraag

We hebben het gehad over ezelsbruggetjes in de les. Waar staat LSD ook alweer voor?
A
Lachen, Social talk, Doorgaan
B
Luisteren, Samenvatten, Doorvragen
C
Laat Suzan Door
D
LSD?! Huh...

Slide 5 - Quizvraag

Waar staat NIVEA voor?

Slide 6 - Open vraag

Wees een OEN, wat betekent dat?
A
Je hebt er echt niks van gebakken...
B
Ga alsjeblieft naar huis
C
Je neemt een open, eerlijke en nieuwsgierige houding aan

Slide 7 - Quizvraag

Om erachter te komen waarom je bepaalde keuzes maakt in een bepaalde situatie, kan je reflecteren. Een manier om dat je doen is middels de .....
A
SMART
B
STARRT
C
STARMT
D
SMARRT

Slide 8 - Quizvraag

Tijdens een formeel gesprek is het niet passend om humor te gebruiken
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 9 - Quizvraag

Een manier om een gesprek gaande te houden is ...
A
Een aandachtige houding aannemen en doorvragen
B
Lekker door blijven ratelen
C
"Zeg eens wat!" tegen de ander zeggen...
D
De laatste zin of woorden herhalen op een vragende toon

Slide 10 - Quizvraag

Heb je zin in pasta?
Dit is een voorbeeld van een ....
A
Open vraag
B
Suggestieve vraag
C
Indirecte vraag
D
Gesloten vraag

Slide 11 - Quizvraag

Een informeel gesprek heeft nooit een doel.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 12 - Quizvraag

Waar staan de 2 T's voor in STARRT?
A
Taak & Tijdgebonden
B
Taak & Transfer
C
Transfer & Tijdgebonden
D
Tijdgebonden & Traditie

Slide 13 - Quizvraag

"Wat was het gevolg van jou actie?" en "Wat was de invloed op het proces?" zijn vragen die passen bij ....
A
Resultaat
B
Situatie
C
Taak
D
Transfer

Slide 14 - Quizvraag