Thema 5 : Les 3 : Snoot (woordenschat)

Thema 5 : Les 3 : Snoot (woordenschat)
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsLager onderwijs

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Thema 5 : Les 3 : Snoot (woordenschat)

Slide 1 - Tekstslide

Doelen van de les : 
- Woordenschat kunnen uitleggen / herkennen
- Woordenschat gebruiken in een zin
- Synoniemen kunnen geven
- Uitdrukkingen kunnen uitleggen
- Tegenstelling van een woord kunnen geven
- Signaalwoorden tegenstelling herkennen

Slide 2 - Tekstslide

In de tekst staat 'knort ze terug'. Wat is de betekenis van dit stukje zin ?

Slide 3 - Open vraag

Wie knort er meestal als hij slaapt?
A
Een kat
B
Een hond
C
Een varkentje
D
Een mens

Slide 4 - Quizvraag

Wanneer betrapte jij eens iemand 'op heterdaad' ?

Slide 5 - Open vraag

Geef een synoniem voor het woord 'schouw'

Slide 6 - Open vraag

Hoe staat het in de tekst ? 'heel erg snel'
A
Lange tijd
B
Met toegeknepen billen
C
In geen tijd
D
Schouw

Slide 7 - Quizvraag

Uitdrukkingen in de tekst ! Wat betekenen ze ? 
Sleep naar de juiste verklaring
Heel erg schrikken
Heel erg snel weglopen
Beetje uitrusten
Iets goed doen
Op adem komen
Schrikt zich een bult
Een goede daad verrichten
De keuken uitstormen

Slide 8 - Sleepvraag

Sleep het woord naar de juiste afbeelding. 
Spreeuw
Papegaai

Slide 9 - Sleepvraag

In tegenstelling tot Jolien, heeft hij totaal geen last van hoogtevrees.
Wat is in deze zin 'in tegenstelling tot' ?
A
Persoonsvorm
B
Onderwerp
C
Verwijswoord
D
Signaalwoord

Slide 10 - Quizvraag

Geef de betekenis van het woord : eigenhandig

Slide 11 - Open vraag

Hoe staat het in de tekst ? 'Erg gespannen zijn'
A
Heldhaftig
B
Met toegeknepen billen
C
Maniak
D
Logisch

Slide 12 - Quizvraag

Wat is een synoniem voor 'maniak'?
A
Iemand die overdreven reageren
B
Simpel iemand
C
Fanaat
D
Lui persoon

Slide 13 - Quizvraag

Wat zijn 'smakkerds' ?
A
Kussen
B
Dessert
C
Geluiden maken tijdens het eten
D
Boeken

Slide 14 - Quizvraag

1. Hij springt                     in het water, om de drenkeling te redden. 
2.  De hond luistert goed, hij komt                            terug naar zijn baasje. 
3. Dat is toch                      ! Hier hoef je niet lang over na te denken !
4. De buurman boort de hele dag, het is een                  en vervelend geluid.    
welwillend
logisch
indringend
heldhaftig

Slide 15 - Sleepvraag

Helemaal klaar ! 

Slide 16 - Tekstslide