Modalverben

Modalverben
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Modalverben

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat kunnen modalverben zijn?

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn modalverben?
  • Hulpwerkwoorden die een manier van een hoofdwerkwoord aangeven (mogelijkheid, noodzaak, verplichting, etc.)

  • Ik kan zwemmen. 
  • Ik mag zwemmen. 
  • Ik wil zwemmen. 
  • Ik moet zwemmen. 

Slide 3 - Tekstslide

wens en toestemming
Modalverben
  • dürfen 
  • können
  • mögen 
  • wollen
  • müssen 
  • sollen
  • möchten 
  • + wissen 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat bedekent "dürfen"?
Ich darf nicht mit meinem Freund gamen.
A
durven
B
mogen
C
willen
D
leuk vinden

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat bedekent "können"?
Er kann kein Spanisch.
A
mogen
B
willen
C
kunnen
D
leuk vinden

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent "mögen"?
Ich mag Pizza.
A
mogen
B
willen
C
kunnen
D
leuk/lekker vinden

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent "wollen"?
Wir wollen ins Kino gehen.
A
willen
B
mogen
C
durven
D
leuk vinden

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Betekenis
  • dürfen = mogen
  • können = kunnen 
  • mögen = leuk vinden, lusten, aardig vinden
  • wollen = willen (wens)

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Können
ich kann
du kannst 
er/sie/es kann
wir können
ihr könnt
Sie/sie können

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mögen
ich mag
du magst
er/sie/es mag
wir mögen 
ihr mögt
Sie/sie mögen 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wollen
ich will
du willst 
er/sie/es will
wir mögen 
ihr mögt
Sie/sie mögen

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

_____ du mir bitte meine Jacke geben? (kunnen)
A
kannst
B
darfst
C
magst
D
willst

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

_____ wir um Theater keine Jeans anhaben? (mogen)
A
können
B
dürfen
C
mögen
D
wollen

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Paula _____unbedingt diese schwarzen Jeans kaufen. (willen)
A
kann
B
darf
C
mag
D
will

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ich _____ die neuen Crocs nicht so. (leuk vinden)
A
kann
B
darf
C
mag
D
will

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ihr _____ nicht zum Klo, während meiner Präsentation. (mogen)
A
könnt
B
dürft
C
mögt
D
wollt

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ich ______ nur, dass du erhrlich bist. (willen)
A
kann
B
darf
C
mag
D
will

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

_______ du Eis? (lekker vinden)
A
kannst
B
darfst
C
magst
D
willst

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wir ______ den neuen Mathelehrer.
A
können
B
dürfen
C
mögen
D
wollen

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ihr _____ jetzt ruhig schlafen gehen.
A
könnt
B
dürft
C
mögt
D
wollt

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Even checken: wat betekent "wollen"?

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat bekent "mögen"?

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent "dürfen"?

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent "können"?

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Volgende keer
  • müssen
  • sollen
  • möchten
  • + wissen 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies