Tekstverbanden en signaalwoorden

Lesplanning

Lesdoel
Voorkennis ophalen
Nieuwe theorie
Zelfstandig werken
Einde van de les 
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Lesplanning

Lesdoel
Voorkennis ophalen
Nieuwe theorie
Zelfstandig werken
Einde van de les 

Slide 1 - Tekstslide

Huiswerk

Lees tekst 1 op blz. 158 (Gamen is (ook) goed voor je)
3 woorden opschrijven
Betekenis opzoeken
Opdracht 2 maken op blz. 161

Slide 2 - Tekstslide

3 woorden uit tekst 1

Slide 3 - Woordweb

Lesdoel
  • Aan het einde van de les weet je wat een tekstverband is.

  • Aan het einde van de tekst weet je wat een signaalwoord is.

  • Aan het einde van de les kun je 2 tekstverbanden opnoemen.

Slide 4 - Tekstslide

Wat is een tekstverband? Haal de woorden uit elkaar.

Slide 5 - Open vraag

Tekstverband
Het verband tussen zinnen en alinea's. Ze geven aan wat de zinnen of alinea's met elkaar te maken hebben.

Tekstverbanden worden aangegeven met signaalwoorden.

Slide 6 - Tekstslide

Wat is een signaalwoord
Wat zijn signaalwoorden?
A
Woorden die verbanden tussen zinnen leggen
B
Woorden die zelfstandig een betekenis hebben
C
Woorden die iets zeggen over het zelfstandignaamwoord
D
Woorden die extra informatie geven

Slide 7 - Quizvraag

Maak een zin met daarin een opsomming.

Slide 8 - Open vraag

Opsomming
Na elkaar opnoemen van een aantal punten/onderdelen

Signaalwoorden: ten eerste, ten tweede, tot slot, en, vervolgens, ook

Vandaag volg ik Nederlands, wiskunde, gym en ook PIE/BWI.

Slide 9 - Tekstslide

Wat is/zijn de signaalwoorden: Voetballen heeft veel voordelen. Ten eerste is het een goedkope sport. Je kunt het ook lekker buiten doen. Ten slotte kan het op elk moment.

Slide 10 - Open vraag

Wat zijn tegenstellingen?
A
woorden die een argument versterken
B
woorden die je niet kent
C
woorden die ongeveer hetzelfde betekenen
D
woorden die elkaars tegenovergestelde zijn

Slide 11 - Quizvraag

Tegenstelling
Woorden die elkaars tegenovergestelde zijn, noem je een tegenstelling.

Signaalwoorden als:
 echter, toch, maar, daarentegen en hoewel
helpen om een tegenstelling te vinden in de zin.

Slide 12 - Tekstslide

Tegenstelling
Voorbeeld:
De weerman vertelde dat het vandaag mooi weer zou worden, maar het regende pijpenstelen.

Aan welk signaalwoord kan je de tegenstelling herkennen?

Slide 13 - Tekstslide

Maak nu een zin met daarin een tegenstelling en geef aan wat het signaalwoord is.

Slide 14 - Open vraag


 Welk  2 signaalwoorden wijzen op   het tekstverband reden:
Een schooluniform in Nederland zal niet werken, omdat kinderen hun identiteit verliezen wanneer ze altijd in hetzelfde uniform lopen. Ze gaan dan namelijk op in de massa, waardoor ze zich qua kleding niet meer onderscheiden van de rest.

Slide 15 - Open vraag

Tekstverband: reden
In een zin of een alinea wordt een reden gegeven waarom iets gebeurt of waarom iemand iets doet.

Signaalwoorden:
omdat, want, daarom, immers



Slide 16 - Tekstslide

Dus...

1. Bedenk een zin met een signaalwoord
voor reden erin.
2. Noem een signaalwoord dat hoort
bij het tekstverband reden.

Slide 17 - Tekstslide

Bij het tekstverband 'voorbeeld':
A
wordt er een uitleg of voorbeeld gegeven
B
worden meerdere dingen die bij elkaar horen, achter elkaar genoemd
C
wordt er aangegeven dat iets in een bepaalde volgorde gebeurt
D
wordt er een rekensom gevraagd in de tekst

Slide 18 - Quizvraag

Tekstverband: voorbeeld
Een uitspraak wordt gevolgd door een of meerdere voorbeelden.

Je herkent een voorbeeld aan de volgende signaalwoorden:
bijvoorbeeld, als voorbeeld, zoals, zo

Slide 19 - Tekstslide

Wat heb je geleerd vandaag? Waar zou je nog meer aandacht aan willen besteden?

Slide 20 - Open vraag

Wat ga je doen?

Maak opdr. 3 op blz. 162 
Zelfstandig (oortjes toegestaan)
Vragen? Steek je vinger op
Klaar? Opdr. 4               

Slide 21 - Tekstslide