Examentraining economie leerjaar 4 23-24

Examentraining economie 
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 300 min

Onderdelen in deze les

Examentraining economie 

Slide 1 - Tekstslide

Examentraining
De aankomende lessen gaan we aan de slag met de voorbereiding op het examen. Dit doen we voornamelijk aan de hand van het oefenen van oude examens. We zullen dit deels klassikaal en deels individueel doen. 

Slide 2 - Tekstslide

Economie examen
Donderdag 22 mei 13:30 - 15:30

Je mag eventueel ook een 
woordenboek gebruiken

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Rekenvragen
  • Gaat het om geldbedragen? Vergeet niet € of $ of ...
  • Houdt bij een rekenvraag ALTIJD rekening met afronden:
  • Rond een antwoord in euro’s altijd met 2 cijfers achter de komma af
  • Dus als je antwoord 10 euro is schrijf je dit op als €10,00
  • Rond een antwoord in procenten altijd af met 1 cijfers achter de komma
  • Dus als je antwoord 1,45 procent is schrijf je dit op als 1,5%
  • Tenzij anders staat aangegeven in de vraag!
  • Heb je een antwoord verkeerd afgerond, dan wordt het antwoord fout gerekend en is de vraag dus fout beantwoord!
  • Schrijf altijd de hele berekening op! 


Slide 5 - Tekstslide

Open vragen
  • Lees de vraag goed. Neem een markeerstift mee om de belangrijke dingen te onderstrepen.
  • Bij 'leg uit' altijd je antwoord uitleggen!
  • De bronnen gebruiken die erbij staan (denk aan je bronnenboekje)
  • Als je meerdere punten in een vraag moet beantwoorden, gebruik dan streepjes in je antwoord.

Slide 6 - Tekstslide

Overige tips
  • Gebruik je kladpapier:
  • Zet getallen op een rij
  • Schrijf ook de woorden erbij
  • Bij open vragen: schrijf de definitie even op
  • Let op de eenheden (€, %, aantallen, $, miljoen, x1000, enz.)
  • Controleer je antwoorden
  • Heb ik de vraag echt beantwoord?
  • Is het logisch?

Slide 7 - Tekstslide

Examen maken!
Wat? Telkens een stuk van het examen zelfstandig. Daarna bespreken we het gezamenlijk.  

Zorg ervoor dat je naast je examen een blad bijhoudt. Op dit blad noteer je alle onderwerpen die je tegenkomt op oude examens. Onderwerpen die je nog moeilijk vindt, markeer je.


Slide 8 - Tekstslide

Consumptie (1)
Wat is economie? 
--> Keuzes maken want bijna alles is schaars
--> Je hebt basis- en overige behoeften
--> Verbruiks- en gebruiksgoederen.

Wat is welvaart en wanneer neemt die toe?

Slide 9 - Tekstslide

Consumptie (2)
Ruilen & geld
--> Directe en indirecte ruil 
--> Geldfuncties: Ruil, reken en spaarmiddel
--> Geldsoorten: Chartaal & giraal

Inkomens: 
--> Reële (wat kun je uiteindelijk ermee kopen?) en nominaal (wat krijg je in geldbedrag?)
--> Uit arbeid, bezit of overdrachten 
--> Modaal & minimuminkomen 
--> Lorenzcurve

Slide 10 - Tekstslide

De lorenzcurve

Slide 11 - Tekstslide

Consumptie (3)
Begroting
--> Overschot en tekort
--> Geld reserveren (rekenen)
--> NIBUD & budgetplan 

Uitgaven: 
Dagelijkse uitgaven, vaste lasten & incidentele uitgaven

Slide 12 - Tekstslide

Consumptie (4)
Consumentengedrag:
--> Informeren voor je iets koopt: vergelijkend warenonderzoek
--> Beïnvloed door marketing: 6 P's 
--> Reclame: Commerciële, informatief, ideële, misleidende

Slide 13 - Tekstslide

Consumptie (5)
Consumentenbescherming: 
--> Garantie: wettelijk (2 jaar)
--> Consumentenbond: informatie, bemiddelt, waarschuwen, onderhandelt (consumer power)
--> Warenwet & NVWA (voedsel en waren autoriteit)
--> Wet productaansprakelijkheid, wet koop of afstand (2 weken bedenktijd), colportagewet (boven 50 euro, koop afzien 2 weken)
--> Geschillencommissie 

Geld & betalen: 
--> Geldfuncties: ruil, reken & spaar
--> Wisselkoers valuta: verkoopkoers, aankoopkoers & provisie (transactiekosten)

Slide 14 - Tekstslide

Consumptie (6)
Sparen: 
--> Motieven: doel, voorzorg & rente
--> Rekening: spaardeposito (vaste rente) of niet (variabel)
--> Enkelvoudige rente (spaargeld x groeifactor x aantal jaar)
--> Samengestelde rente (spaargeld x (1+g^n))
--> Beleggen: koerswinst of verlies 

Lenen: 
--> Motieven: tijdelijk geld tekort, nu genieten, onverwachte tegenvaller, huis. 
--> Soorten leningen: persoonlijk, doorlopend, koop op afbetaling, huurkoop, leasen, hypothecaire lening
--> Leendeel bestaat uit: aflossing & rente 

Slide 15 - Tekstslide

Consumptie (7)
Verzekeringen: 
--> Vrijwillig & verplichte 
--> Polisvoorwaarden: premie, verzekerde waarde, eigen risico, uitsluitingen
--> Woonverzekeringen: inboedel & opstal 
--> Over- en onderverzekering (verzekerde waarde/werkelijke waarde x schadebedrag)
--> Rijtuigen: WA-verzekering verplicht.
--> Zorgverzekering: basisverzekering

Woningen: 
--> Huur: sociale (huurtoeslag, woningcoöperatie) en vrijesector (particulier)
--> Koop: k.k. (kosten komen op rekening koper boven op de vraagprijs. 

Slide 16 - Tekstslide

Examen maken!
Wat? Telkens een stuk van het examen zelfstandig. Daarna bespreken we het gezamenlijk. 


Zorg ervoor dat je naast je examen een blad bijhoudt. Op dit blad noteer je alle onderwerpen die je tegenkomt op oude examens. Onderwerpen die je nog moeilijk vindt, markeer je.


Slide 17 - Tekstslide

Overheid (1)
--> Overheidssectoren: centrale overheid, provincies, gemeenten en waterschappen.
--> Collectieve (publieke) en particuliere sector (winst)
--> Collectieve goederen (voor iedereen)

Geld centrale overheid: 
--> Miljoenennota & rijksbegroting 
--> Inkomsten: Belastingen (indirect en direct) + niet-belastingontvangsten
--> Financieringstekort & staatsschuldquote: omvang staatsschuld/nationaal inkomenx100

Geld gemeenten: 
--> ozb (onroerendgoedbelasting) op de WOZ-waarde. 

Decentralisatie van de centrale overheid? Of juist niet? 

Slide 18 - Tekstslide

geen winst
wel winst 

Slide 19 - Tekstslide

Overheid (2)

Slide 20 - Tekstslide

overheid (2)
Werkgelegenheid -> indirect/direct (ambtenaren)

Hoe verdient de overheid het geld?
- belastingen -> direct (loonbelasting) / indirect (BTW, accijns)

Slide 21 - Tekstslide

Welk goed?
Welk soort werkgelegenheid?

Slide 22 - Tekstslide

Internationaal (1)
--> Open en gesloten economie
--> Importeren en exporteren (en wederuitvoer)
--> Werkgelegenheid: bijv. groei export > groei productie > groei werkgelegenheid > groei nationaal inkomen
--> Invloed van de wisselkoers: bijv. wisselkoers stijgt > prijs geïmporteerde producten daalt > eigen productie daalt > werkgelegenheid daalt

Bij wederuitvoer worden de goederen tijdelijk Nederlands eigendom en wordt vaak nog een minimale bewerking gedaan. Bij doorvoer blijven de goederen in buitenlandse handen. 

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide









     De interne markt van de Europese Unie (EU) is een gemeenschappelijke markt waarin vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen wordt verzekerd, en waarbinnen de Europese burgers vrij kunnen wonen, werken, studeren of zakendoen.

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Internationaal (2)
Handelsbalans: 
--> Import- en exportwaarde (aantal producten x prijs)
--> Import- exportquote (waarde/nationaal inkomenx100%)
--> Dekkingspercentage (exportwaarde/importwaardex100%)
--> Ruilvoet (indexcijfer prijspeil export/indexcijfer prijspeil importx100)

Slide 27 - Tekstslide

Internationaal (3)
Internationale arbeidsverdeling: 
--> Globalisering -> het doorgaande proces van internationale uitwisseling van mensen, goederen, geld, en informatie (zoals kennis en cultuur).
--> Vrijhandel (WTO streeft ernaar) of protectionisme (contingentering/importquota, invoerrechten, importverboden, exportsubsidies) 
EU:
--> Gemeenschappelijke markt: goederen/diensten, personen & kapitaal. 
--> Gemeenschappelijk beleid
--> Europese Monetaire Unie (EMU)
--> ECB met zijn prijsstabiliteit (bijv. rente verhoging > lenen duurder > bestedingen dalen > inflatie neemt af)

Slide 28 - Tekstslide

Internationaal (4)
Welvaart
--> Welvaart meten: inkomen per hoofd (nationaal inkomen/aantal inwoners)

Ontwikkelingslanden
--> Ontwikkelingslanden: laag inkomen, veel werkloosheid, ondervoeding, snelle bevolkingsgroei, urbanisatie, weinig middelbare school afgerond en etc. 
--> Vicieuze cirkel: laag inkomen > weinig bestedingen > weinig productie > weinig werkgelegenheid > laag inkomen. 
--> Maatregelen: Fair trade, minder schulden, zachte leningen, meer ontwikkelingssteun 
--> Hulp: noodhulp, gebonden ontwikkelingshulp, ongebonden hulp, structurele hulp, bilaterale hulp en multilaterale hulp.

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Nationaal inkomen
Nationaal inkomen per hoofd -> totale inkomen/totaal aantal inwoners.

Welvaart gaat over de verdeling in een land! let altijd goed op het aantal inwoners.

Aantal inwoners berekenen -> Nationaal inkomen/nationaal inkomen per hoofd 

Slide 31 - Tekstslide

Wat kan je niet zeggen over het nationaal inkomen per hoofd?

Slide 32 - Tekstslide

Examen maken!
- Ga in een tweetal aan de slag met een examenopdracht.
- Als je klaar bent met de opdrachten, ga dan verder met extra examenopdrachten.
- Doe dit rustig.
- Ik kom langs voor vragen




Slide 33 - Tekstslide

Productie en arbeid (1)
Basis:
--> Productiefactoren: Kapitaal (rente), arbeid (loon), natuur (pacht), ondernemerschap (winst)
--> Productiesectoren: Primair, secundair, tertiaire, kwartaire 
--> Bedrijfskolom en toegevoegde waarde 
--> Nationaal inkomen = nationaal product 


Slide 34 - Tekstslide

Productie en arbeid (2)
Bedrijfsresultaat: 
--> Brutowinst: omzet (afzet x vp) - inkoopwaarde (afzet x inkoopprijs). Alles excl btw!
--> Nettowinst: brutowinst - bedrijfskosten (vaste kosten of variabele kosten)
--> Afschrijvingen ((vervangingswaarde-restwaarde)/gebruiksduur) 

Maatschappelijke kosten: kosten van milieu en gezondheid die niet verwerkt zijn in de prijs.

BTW (belasting toegevoegde waarde): 
--> 9% goederen die nodig zijn voor het dagelijks leven 
--> 21% standaard tarief
Je moet kunnen omrekenen!  

Slide 35 - Tekstslide

Productie en arbeid (3)
Ondernemingsvormen: 
--> Eenmanszaak (een eigenaar): privé aansprakelijk
--> VOF (meerdere eigenaren): privé aansprakelijk 
--> BV (aandeel op naam) en NV (Aandeel op toonder): Niet privé aansprakelijk. Dividend voor de aandeelhouders. 
--> Stichting: niet privé aansprakelijk. Mag niet naar winst streven. 

Bedrijven: 
--> Kartel= verboden samenwerking
--> Fusie 
--> Overname

Slide 36 - Tekstslide

Productie en arbeid (4)
Arbeid:
 --> Arbeidsproductiviteit (gemiddelde productie per werkende in bepaalde periode) verhogen: arbeidsverdeling (specialisatie), scholing, meer kapitaalgoederen, arbeidsomstandigheden. 
--> Gevolgen: loonkosten dalen per product, betere concurrentiepositie, hogere lonen. 

Arbeidsmarkt: 
Beroepsbevolking = iedereen tussen 15 en 75 die wil en kan werken.





Werklozen: 
--> Officiele & verborgen werkloosheid, werkloosheidspercentage (werklozen/beroepsbevolkingx100%). 
--> Structurele, conjuncturele, frictie, seizoens, regionale. 

Slide 37 - Tekstslide

Productie en arbeid (5)
Arbeidsovereenkomst: 
--> Bepaalde tijd of onbepaalde tijd, proeftijd, vakantiedagen, arbo-wet
--> Arbeidsvoorwaarden: primair en secundair 

Maatschappelijk ondernemen: 
--> Grenzen aan groei
--> Duurzame ontwikkeling
--> 3 p's: people, planet, profit

Slide 38 - Tekstslide

Examen maken!
Wat? Telkens een stuk van het examen zelfstandig. Daarna bespreken we het gezamenlijk. 



Zorg ervoor dat je naast je examen een blad bijhoudt. Op dit blad noteer je alle onderwerpen die je tegenkomt op oude examens. Onderwerpen die je nog moeilijk vindt, markeer je.



Slide 39 - Tekstslide

Verrijkingsstof (1)
Beginselsen 
--> Draagkrachtbeginsel: sterke schouders, zwaarste lasten. 
--> Profijtbeginsel: betalen waar je gebruik van maakt

Belasting: 
--> Belastingstelsels: proportioneel, progressief, degressief
--> Box 1 (winst + loon), box 2 (vanuit aandelen), box 3 (sparen en beleggen)
--> Aftrekposten: hierover hoef je geen belasting te betalen.

Overheid probeert nivellerend (= afstand van inkomens wordt kleiner) te werken 

Slide 40 - Tekstslide

Verrijkingsstof (2)
--> Inflatie: gemiddelde prijspeil gaat omhoog.
Oorzaken: veel vraag producten (bestedingsinflatie), kosten productie stijgen (kosteninflatie). 
Gevolgen: Koopkracht daalt, verlies vertrouwen geld, verslechtering concurrentiepositie, sparen wordt minder aantrekkelijk
Wat tegen bestedingsinflatie? Rente verhogen, bezuinigen uitgaven, belastingen verhogen.
Wat tegen kosteninflatie? Belasting verlagen, btw-tarief verlagen
--> Deflatie: Gemiddelde prijspeil gaat omlaag 
--> Koopkracht verandering: %prijspeil - %inkomensverandering
Met indexcijfers: indexcijfer nominaalinkomen/CPIx100

CPI (consumentenprijsindexcijfer) kunnen berekenen met wegingsfactoren. 

Slide 41 - Tekstslide

Verrijkingsstof (3)
Stelsels: 
--> Planeconomie  (productiemiddelen van de overheid)
--> Vrije markteconomie
NL: Vrije markteconomie met een grote rol van de overheid --> Verzorgingsstaat. 

Marktvormen: 
--> Volkomen concurrentie 
--> Monopolistische concurrentie 
--> Oligopolie 
--> Monopolie 

Slide 42 - Tekstslide

Verrijkingsstof (4)
--> aanbod (producenten) en
vraaglijn (consument)
--> Evenwichtsprijs waar de lijnen elkaar
kruizen 
--> Op de lijn wanneer het een prijs
verandering is. Anders verschuiving

Slide 43 - Tekstslide

Examen maken!
Wat? Telkens een stuk van het examen zelfstandig. Daarna bespreken we het gezamenlijk. 



Zorg ervoor dat je naast je examen een blad bijhoudt. Op dit blad noteer je alle onderwerpen die je tegenkomt op oude examens. Onderwerpen die je nog moeilijk vindt, markeer je.



Slide 44 - Tekstslide