Les 4 - De overeenkomst (samengevoegd)

Verbintenissenrecht
De overeenkomst
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerbintenissenrechtMBOStudiejaar 4

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Verbintenissenrecht
De overeenkomst

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkgever Ozdemirel legt in een arbeidscontract met werknemer Bakker een proeftijd vast van 3 maanden. Het gaat om een contract voor onbepaalde tijd (vast). Pak ar. 7:652 BW erbij. Wat mag volgens de wet (dwingend recht) de proeftijd van werknemer Bakker zijn?
A
één maand
B
twee maanden
C
drie maanden
D
vier maanden

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zijn art. 7:272 BW en 7:273 BW van dwingend recht? Tip: kijk ook naar de volgende artikelen om het antwoord te vinden.
A
Ja
B
Nee

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zoek art. 7:634 BW op. Op hoeveel uur vakantie heeft Lotte recht als zij 15 uur per week werkt?
A
15
B
30
C
60
D
75

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Denk je dat het mogelijk is dat de werkgever niet vier keer, maar vijf keer het aantal uren per week dat iemand werkt aan vakantie-uren geeft?
A
Ja
B
Nee, het is een regeling van dwingend recht.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zoek art. 7:645 BW op. Van welk recht is hier sprake?
A
Dwingend recht
B
Regelend recht

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kan de verhuurder de huurder aan de handtekening onder het huurcontract houden als de opgenomen opzegtermijn niet overeenstemt met art. 7:272 BW?
A
Ja
B
Nee

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De opzegtermijn is in strijd met de wet. De verhuurder zegt op tegen één maand volgens het huurcontract. Mag de huurder toch blijven zitten als hij aangeeft het er niet mee eens te zijn?
A
Ja, o.g.v. art. 7:272 BW
B
Nee, o.g.v. art. 7:272 BW

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verbintenissenrecht
De overeenkomst (deel 2)

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een groothandel in fietsen levert honderd fietsen aan fietsenhandel Geerts. Als Geerts zo’n 50 van de fietsen heeft verkocht, blijkt uit klachten van kopers dat er iets grondig mis is met het remsysteem van de fietsen. Alle fietsenmoeten worden teruggehaald voor vervanging van het remsysteem. Voor Geerts betekent dit een schadepost van € 5000,-. Geerts wendt zich met zijn schade tot de groothandel. Maar de groothandel wijst op de bepaling van het contract dat met Geerts is gesloten en waarin de groothandel IEDERE aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door gebreken in de geleverde fietsen uitsluit.
Moet Geerts genoegen nemen met deze reactie van de groothandel?

A
Ja, want het is een rechtsgeldig gesloten koopovereenkomst.
B
Nee, o.g.v. redelijkheid en billijkheid, art. 6:248 lid 2 BW.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In een contract spreken een leverancier en klant af dat de leverancier over zes maanden 10.000 meter katoen zal leveren voor € 5,- p/meter. In de zes maanden tussen koop en levering stijgt de katoenprijs op de wereldmarkt.

Leg uit of de leverancier de katoenprijs mag verhogen.

A
Ja, o.g.v. art. 6:258 BW
B
Nee, o.g.v. art. 6:258 BW

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kan de verkoper uit de vorige vraag de prijs kan verhogen als het gaat om een vervijfvoudiging van de katoenprijs, die wordt veroorzaakt door een uitzonderlijke natuurramp?

A
Ja, o.g.v. 6:258 BW
B
Nee, o.g.v. 6:258 BW

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Niet-nakoming van verbintenissen
Als een schuldenaar zijn prestatie niet uitvoert, dan is er sprake van een tekortkoming in de nakoming. Er zijn vier vormen van niet-nakoming:

  • de prestatie wordt helemaal niet verricht (bijv. je betaalt/ontvangt niet);
  • de prestatie wordt gedeeltelijk verricht (bijv. er ontbreekt een onderdeel);
  • de prestatie wordt niet op tijd verricht (bijv. de levertijd wordt niet gehaald);
  • de prestatie wordt niet goed verricht (bijv. het is kapot/werkt niet).

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Van welke vorm van niet-nakoming is hier sprake?
De wasmachine is wel geleverd, maar doet het niet.
A
De prestatie wordt helemaal niet verricht
B
De prestatie wordt gedeeltelijk verricht
C
De prestatie wordt niet op tijd verricht
D
De prestatie wordt niet goed verricht

Slide 20 - Quizvraag

Want de wasmachine is kapot 
Van welke vorm van niet-nakoming is hier sprake?
De wasmachine is na de beloofde drie dagen nog steeds niet geleverd.
A
De prestatie wordt helemaal niet verricht
B
De prestatie wordt gedeeltelijk verricht
C
De prestatie wordt niet op tijd verricht
D
De prestatie wordt niet goed verricht

Slide 21 - Quizvraag

Want de wasmachine is nog niet geleverd, dus prestatie is niet op tijd verricht 
Van welke vorm van niet-nakoming is hier sprake?
De wasmachine is niet betaald door de koper.
A
De prestatie wordt helemaal niet verricht
B
De prestatie wordt gedeeltelijk verricht
C
De prestatie wordt niet op tijd verricht
D
De prestatie wordt niet goed verricht

Slide 22 - Quizvraag

Geen betaling = niet voldoen aan prestatie = niet verricht 
Van welke vorm van niet-nakoming is hier sprake?
De wasmachine wordt geleverd zonder afvoerslang.
A
De prestatie wordt helemaal niet verricht
B
De prestatie wordt gedeeltelijk verricht
C
De prestatie wordt niet op tijd verricht
D
De prestatie wordt niet goed verricht

Slide 23 - Quizvraag

Want er ontbreekt een onderdeel = gedeeltelijk verricht 
Acties bij niet-nakoming
In geval van niet-nakoming kan een schuldeiser vier acties inzetten.

  1. Hij kan alsnog nakoming eisen
  2. Hij kan zijn eigen verplichting opschorten
  3. Hij kan de overeenkomst ontbinden
  4. Hij kan schadevergoeding eisen

Tip: een combinatie van meerdere acties kan ook.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nu even oefenen/herhalen....
Geef het juridische begrip voor onderstaande definities. Iedereen de aandacht erbij. We maken er een wedstrijdje van.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

uiting van een persoon waarin hij kenbaar maakt dat hij ten aanzien van een bepaald goed een overeenkomst met een ander wil sluiten door iets beschikbaar te stellen.
A
Aanbod
B
Aanvaarding

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek waarvan partijen in hun contract af mogen wijken. Deze bepalingen vullen het contract aan als de partijen op een bepaald punt niets hebben geregeld. Als de partijen iets niet hebben geregeld, kunnen zij dus terugvallen op deze bepalingen uit de wet.
A
Dwingend recht
B
Aanvullend recht

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

vrijheid van partijen om, binnen onze rechtsorde, zelf de inhoud van hun contract vast te stellen.
A
Redelijkheid en billijkheid
B
Contractvrijheid

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

aanbod dat nog kan worden ingetrokken onmiddellijk nadat het is aanvaard.
A
Aanvaarding
B
Vrijblijvend aanbod

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

houding die de wet van de bij een overeenkomst betrokken partijen vraagt om zich niet alleen door eigen belang te laten leiden, maar ook rekening te houden met de belangen van de wederpartij
A
Redelijkheid en billijkheid
B
Inlevingsvermogen

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

wilsgebrek waarbij de wil wordt gevormd onder invloed van bijzondere omstandigheden die de wederpartij kende en waarvan zij misbruik maakt.
A
Dwaling
B
Misbruik van omstandigheden

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

gebruik dat al lange tijd in een bepaalde kring of branche als 'recht' wordt ervaren.
A
Redelijkheid en billijkheid
B
Gewoonte

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

rechtshandeling die geen gevolgen heeft in het recht, omdat deze handeling meteen al ongeldig is.
A
Nietig
B
Vernietigbaar

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

onvoorwaardelijke acceptatie van het aanbod.
A
Het ja-woord
B
Aanvaarding

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de juridische term voor:

situatie waarin de wil om een rechtshandeling aan te gaan, niet goed is gevormd vanwege bedreiging, bedrog of een onjuiste voorstelling van zaken, of waarin misbruik is gemaakt van bijzondere omstandigheden.
A
Handelingsonbekwaam
B
Wilsgebrek

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies