In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
CC 03 2 kortingen op prijs
Slide 1 - Tekstslide
Je koopt een sjaal met 20% korting. De oude prijs was €30,-. Hoe bereken je de nieuwe prijs?
A
30 : 100 x 20 =
B
30 : 1,2 =
C
30 x 100 : 20 =
D
30 x 0,8 =
Slide 2 - Quizvraag
Je krijgt 30% korting op de prijs van €100,= Hoeveel moet je betalen?
timer
1:00
A
€70,00
B
€30,00
C
€25,50
D
€75,50
Slide 3 - Quizvraag
Je koopt een jas met 30% korting. De oude prijs was €125,-. Hoe bereken je de nieuwe prijs?
A
125 x 1,3 =
B
125 : 1,3 =
C
125 : 100 x 30 =
D
125 x 0,7 =
Slide 4 - Quizvraag
Wat betekent het als je staffelkorting krijgt. Hoe bereken je deze korting?
Slide 5 - Open vraag
Wat is omzetbonus?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting op basis van het afnamevolume
D
korting voor een vaste klant
Slide 6 - Quizvraag
Wat is actiekorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 7 - Quizvraag
Deze televisie is in de aanbieding met 30% korting. De uiteindelijke prijs die jij betaalt is 600 euro. Wat was de oorspronkelijke prijs?
A
690,00
B
420,60
C
780,00
D
857,14
Slide 8 - Quizvraag
Je wilt een Vespa Sprint kopen. Je krijgt 31% korting. De oude prijs is €1.249,85.
Hoeveel € korting krijg je?
A
€ 31
B
€ 387,45
C
€ 862,40
D
€ 421,99
Slide 9 - Quizvraag
Webshob Hemdvoorhem.nl koopt 250 overhemden in bij Olymp. Olymp factureert een prijs van 50 euro ex. BTW. HemdvoorHem krijgt 35% korting voor rabat. Wat wordt het factuurbedrag?