Grammatica - 3.7 - les 2

Doelen
In deze paragraaf leer je:

• hoe je het onderwerp vindt;
• hoe je het lijdend voorwerp vindt.
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 10 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Doelen
In deze paragraaf leer je:

• hoe je het onderwerp vindt;
• hoe je het lijdend voorwerp vindt.

Slide 1 - Tekstslide

Even herhalen

Slide 2 - Tekstslide

De persoonsvorm is altijd een...
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
werkwoord
D
voorzetsel

Slide 3 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
het eerste werkwoord van een zin.
B
alle werkwoorden samen in een zin.
C
het laatste werkwoord van een zin.

Slide 4 - Quizvraag

Wat is het wwg in deze zin:
Wij zijn met de auto op vakantie gegaan.

Slide 5 - Open vraag

Wat is het onderwerp in deze zin:
Wij zijn met de auto op vakantie gegaan.

Slide 6 - Open vraag

Wat is het onderwerp in deze zin:
Joost en Astrid hebben hun huiswerk afgemaakt.

Slide 7 - Open vraag

Lijdend voorwerp
Na het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp benoem je het lijdend voorwerp (lv).
Je vindt het lijdend voorwerp door te vragen: wat (of wie) + wg + o?
Het antwoord daarop is het lijdend voorwerp.

Let op: niet elke zin heeft een lijdend voorwerp!

Slide 8 - Tekstslide

Lijdend voorwerp
Voorbeeld:
Met een bal heeft Frank twee ramen gebroken.

Wat is de PV?
Wat is het WWG?
Wat is het O?
Wie of wat + WWG + O = 

Slide 9 - Tekstslide

Uitlegfilmpje
Lijdend voorwerp

Slide 10 - Tekstslide