1. Mijn naam is …… / Ik heet ……
2. Ik ben …… jaar oud.
3. Mijn moeder is politieagente en mijn vader werkt als maatschappelijk werker in een verzorgingstehuis.
4. Ik weet nog niet precies wat ik wil worden.
5. Om hotelmanager te worden, moet je vreemde talen studeren.
6. Ik spreek alleen goed Engels.
7. Misschien word ik politieagent net als mijn moeder.