Les 26 25-03-2025 Quantifiers

Today
- Grammar (Quantifiers)
- Exercises on paper
- Blooket!
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Today
- Grammar (Quantifiers)
- Exercises on paper
- Blooket!

Slide 1 - Tekstslide

Quantifiers (Hoeveelheidswoorden)

Either, Neither , each, all, every
both dogs
Each person

Slide 2 - Tekstslide

Good to know....
Quantifiers (hoeveelheidswoorden) zijn woorden die de hoeveelheid of het aantal van iets aangeven. Ze worden gebruikt om te beschrijven hoeveel of hoe weinig van een bepaald ding, persoon of groep er is.

Slide 3 - Tekstslide

Grammar
Both, either, neither, all, each, every


Twee personen, dieren of dingen
both, either, neither
Twee of meer personen, dieren of dingen
each
Drie of meer personen, dieren of dingen
all, every
Nadruk op individuele dingen
each
Nadruk op het geheel
every

Slide 4 - Tekstslide

Grammar
- Both → Beide
- Either → Eén van beide
- Neither → Geen van beide
- All → Alle 
- Each → Elk / Ieder
- Every → Elke / Iedere  

Slide 5 - Tekstslide

Both (beide)                                          meervoud
Either (elk van beide)                        enkelvoud      
Neither (geen van beide)                 enkelvoud
Gebruik: Bij twee personen, dieren of dingen
Both elements have to be included.
Both, either, neither, all, each, every
They can pick either story.
Neither watch is for sale.

Slide 6 - Tekstslide

Each (elke)                       enkelvoud

Gebruik: Twee of meer personen, dieren of dingen
He has a small tattoo on each arm.
Both, either, neither, all, each, every
Each year fewer cars are stolen in Britain.

Slide 7 - Tekstslide

All (alle)
Every (iedere/elke)      

Gebruik: Meerdere personen, dieren of dingen
All the children in my class are from the same city.
Both, either, neither, all, each, every
He knows every song on this record.

Slide 8 - Tekstslide

Let op! Vaak kun je zowel each als every gebruiken.

Every student was allowed to come to the school dance.
Both, either, neither, all, each, every, none
Each bedroom has a separate bathroom.
Each                       individuele dingen

Every                      nadruk op het geheel

Slide 9 - Tekstslide

She has seen ... show in which her daughter starred.
A
both
B
each
C
every
D
all

Slide 10 - Quizvraag

... watches belong to Henry.
A
Both
B
Each
C
Neither

Slide 11 - Quizvraag

We can go to ... restaurant. I don't mind.
A
neither
B
both
C
either
D
all

Slide 12 - Quizvraag

I was ... tired and hungry when I arrived home.
A
all
B
each
C
neither
D
both

Slide 13 - Quizvraag

I have two cars, but ... is big enough. That will never fit!
A
either
B
neither
C
both
D
every

Slide 14 - Quizvraag

My mother reads ... of her children a book before they go to bed.
A
both
B
each
C
all
D
none

Slide 15 - Quizvraag

And now.....
- Exercise on stencil (Quantifiers) 

 
timer
13:00

Slide 16 - Tekstslide