Vragers en aanbieders H5 D1

Vragers en aanbieders H5 D1
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vragers en aanbieders H5 D1

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
- Terugblik (10min);
- Uitleg (30 min); 
-  Opdrachten maken 5.1 t/m 5.11
- Afsluiting (5 min). 


Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
- Je weet wat positieve en negatieve externe effecten zijn  
- Je kunt beschrijven wat de rol van de overheid hierin is
- Aan de hand van een berekening kan je het vraaggedrag van consumenten aantonen en onderbouwen
- Aan de hand van een berekening kan je het vraaggedrag van consumenten aantonen en onderbouwen
- Je kunt de prijselasticiteit (Ev) berekenen, omschrijven en toepassen

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Door de coronapandemie stijgt de werkloosheid. Is deze werkloosheid passend bij structurele of conjuncturele werkloosheid?
A
Conjuncturele werkloosheid
B
Structurele werkloosheid

Slide 5 - Quizvraag

Positief extern effect
Negatief extern effect

Slide 6 - Tekstslide

Externe effecten, overheidsingrijpen
Extern effect: 
effect als gevolg van 
productie en consumptie --> 
Niet bij de prijs inbegrepen.

Negatieve externe effecten &  
positieve externe effecten

Slide 7 - Tekstslide

Een extern effect wordt niet in de prijs verrekend en is altijd slecht voor de maatschappij
A
dit is juist
B
dit is niet juist

Slide 8 - Quizvraag

Wat is geen voorbeeld van een extern effect?
A
Rommel na het concert in de ZiggoDome
B
Bouw van een nieuw stadsplein
C
Rommel na een wedstrijd van FCT buiten het stadion
D
Uitstoot van de fabriek van Tata-steel

Slide 9 - Quizvraag

Maatschappelijke...
Maatschappelijke kosten
Kosten van economisch handelen voor de samenleving. Kosten die de samenleving moet opbrengen, bijvoorbeeld door luchtvervuiling, roken, afval na de markt enz.
 Private kosten + externe negatieve effecten = maatschappelijke kosten. 
Verminderen door bijvoorbeeld: accijns

Maatschappelijke opbrengsten
Opbrengsten van economisch handelen voor de samenleving.
Private opbrengsten + positieve externe effecten = maatschappelijke opbrengsten
Vermeerderen door bijvoorbeeld: subsidies

Slide 10 - Tekstslide

Maatschappelijk kosten zijn de
A
Nadelen van de productie in de samenleving.
B
Nadelen van de consumptie in de samenleving.
C
Nadelen van de productie en consumptie voor de samenleving.
D
De kosten die een bedrijf moet betalen aan de overheid.

Slide 11 - Quizvraag

Twee beweringen over externe effecten.
I. Autorijden heeft slechts negatieve externe effecten.
II. Toename van het autoverkeer leidt tot een toename van maatschappelijke kosten.
Welke bewering(en) is/zijn goed?

A
Beide zijn goed
B
I is goed en II is fout
C
I is fout en II is goed
D
Beide zijn fout

Slide 12 - Quizvraag

Hoe zou je de negatieve externe effecten van auto's kunnen verminderen?

Slide 13 - Open vraag

Profijtbeginsel
Profijtbeginsel
  • Je betaalt als je ergens gebruik van maakt
  • Voorbeeld: wegenbelasting of de kilometerheffing

Slide 14 - Tekstslide

Procentuele verandering berekenen 

Slide 15 - Tekstslide

Wat is de procentuele verandering van de prijs in 2016 tov 2015?
A
8%
B
9%
C
10%
D
11%

Slide 16 - Quizvraag

Prijselasticiteit van de vraag berekenen 
.

Ev = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
          --------------------------------------------------------------
                            procentuele verandering van de prijs

Ev = gevolg / oorzaak
Uitleg
Als de prijs met 1% verandert, hoeveel % verandert dan de vraag naar het product? Hoe groter de elasticiteit, hoe meer % de vraag van het product verandert als de prijs verandert. 
Inelastisch > Noodzakelijke goederen > tussen 0 - 1 
Volkomen inelastisch > medicijnen > 0
Elastisch > luxe goed > hoger dan 1 
Niet elastisch en niet elastisch > precies 1

Allemaal los van het minteken! 

Als een product een subsitutie goed heeft (cola en pepsi) dan is het elastisch. Als de prijs stijgt, dan gaan ze naar het andere merk toe. 

Slide 17 - Tekstslide

Wat is de definitie van prijselasticiteit?
A
De mate waarin een afnemer reageert op een verandering in prijs.
B
De prijs zo laag mogelijk maken, zodat klanten je product kopen.
C
Bewust onder de prijs van de concurrent gaan zitten.

Slide 18 - Quizvraag

De prijselasticiteit is -2
A
de relatieve verandering van Q is groter dan de verandering van P
B
De verandering van de prijs is groter dan de hoeveelheid
C
de prijs stijgt harder dan de hoeveelheid
D
de relatieve verandering van Q is groter dan de relatieve verandering van P

Slide 19 - Quizvraag

Bereken de prijselasticiteit.

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Video

Aan de slag
Wat?  - Opdrachten 5.1 t/m 5.9


Slide 22 - Tekstslide

Afsluiting
Leerdoelen: 
- Je weet wat positieve en negatieve externe effecten zijn  
- Je kunt beschrijven wat de rol van de overheid hierin is
- Aan de hand van een berekening kan je het vraaggedrag van consumenten aantonen en onderbouwen
- Aan de hand van een berekening kan je het vraaggedrag van consumenten aantonen en onderbouwen
- Je kunt de prijselasticiteit (Ev) berekenen, omschrijven en toepassen

Volgende les: 
Vraag & aanbieders hoofdstuk H5 D2

Slide 23 - Tekstslide