1M L5 wwspelling/formuleren/boekopdracht

Welkom! 
Ga naar je plek, pak je spullen en maak de startopdracht.
Startopdracht: lees in je leesboek 
  • Leesboek
  • Lesboek
  • Gevuld etui
timer
15:00
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom! 
Ga naar je plek, pak je spullen en maak de startopdracht.
Startopdracht: lees in je leesboek 
  • Leesboek
  • Lesboek
  • Gevuld etui
timer
15:00

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
  • Lesdoelen
  • Mededelingen
  • Boek doorgegeven?
  • Werkwoordspelling
  • Evaluatie les

Slide 2 - Tekstslide

Mededelingen
Wat moet ik weten?

Slide 3 - Tekstslide

Toets ww spelling en formuleren
woensdag 9 april
Leren: 
Groene blokken op blz. 228, 238 t/m 248 en blz. 218 t/m 224

Slide 4 - Tekstslide

Lesdoelen
  • Ik kan de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd spellen.
  • Ik kan voltooide deelwoorden spellen.
  • Ik kan onregelmatige werkwoorden spellen.
  • Ik weet over welk boek ik mijn boekopdracht ga doen.

Slide 5 - Tekstslide

Persoonsvorm tt
Zoek de ik-vorm

Blijven
Kijken
Vinden
Dromen
Kiezen

Slide 6 - Tekstslide

Persoonsvorm tt

Slide 7 - Tekstslide

Sterke en zwakke werkwoorden

Sterke werkwoorden --> veranderen van klank in vt

Zwakke werkwoorden --> veranderen niet van klank in vt

Slide 8 - Tekstslide

Persoonsvorm vt - zwak

Slide 9 - Tekstslide

Persoonsvorm vt - zwak
Wanneer -de(n) of -te(n)?
1. Neem het hele werkwoord
2. Haal er -en van af.
3. Zit de laatste letter in 't ex-fokschaap? Schrijf na de ik-vorm -te(n)
4. Zit de laatste letter en niet in? Schrijf na de ik-vorm -de(n)


Slide 10 - Tekstslide

Persoonsvorm vt - sterk
Schrijf het woord zo kort mogelijk:
– lopen → liepen; blaas → blies.
Gebruik alleen dubbele letters (zoals -dd of -kk) als dat nodig is voor de uitspraak:
– rijden → reden; hebben → hadden.
Kijk naar het meervoud om erachter te komen of het woord op een -d of een -t eindigt:
– ik bond, want: wij/jullie/zij bonden.
– hij beet, want: wij/jullie/zij beten.

Let op: een persoonsvorm in de verleden tijd eindigt nooit op -dt.



Slide 11 - Tekstslide

Voltooid deelwoord (vd)
Laat zien dat iets is afgerond. Vd begint met ge-, her-, ver-, be-
– gelopen, bedolven, geraakt, verwacht
Vd van sterke ww eindigen meestal op -en
– gestreken, gevonden
Vd van zwakke ww eindigen meestal op -t of -d. Gebruikt verlengproef of 't ex-fokschaap
– gefietst, getekend, gebeld





Slide 12 - Tekstslide

Onregelmatige werkwoorden

Slide 13 - Tekstslide

Hoofdletters
  • Begin van elke zin
  • Bij namen: Lieke, Woerden, Nederland
  • Bij woorden die van namen afgeleid zijn: Woerdense, Wilhelminastichting, Nederlandse

Slide 14 - Tekstslide

Let op! tussenvoegsel
  • Geen voornaam of voorletter? Dan krijgt het eerste tussenvoegsel een hoofdletter. 
  • Lieke de Kok, mevrouw L. de Kok, mevrouw De Kok

Slide 15 - Tekstslide

Let op! 
  • dagen, maanden, seizoenen en windstreken schrijf je met een kleine letter:
    woensdag
    maart
    lente
    westen 

Slide 16 - Tekstslide

Leestekens
  • Gewone zin? Dan gebruik je een punt.
  • Vragende zin? Dan gebruik je een vraagteken.
  • Een uitroep (bijv: verbazing of woede)? Gebruik een uitroepteken. 


Let op: nooit twee van deze leestekens na elkaar gebruiken. 

Slide 17 - Tekstslide

Volledige zin
  • Persoonsvorm en onderwerp
  • Begint met een hoofdletter
  • Eindigt met een leesteken


Let op: nooit twee van deze leestekens na elkaar gebruiken. 

Slide 18 - Tekstslide

Zelfstandig werken
  • Je werkt in stilte.
  • Kijk de opdrachten van blz. 248 en 228 na 
  • Maak opdracht 1 t/m 3 vanaf blz. 218

  • Heb je vragen? Kijk goed naar de groene blokken. Lukt het nog steeds niet. Stel je vraag na vijf minuten. 


timer
5:00

Slide 19 - Tekstslide

Samenwerken
  • Je mag zachtjes overleggen.
  • Kijk de opdrachten van blz. 248 en 228 na
  • Maak opdracht 1 t/m 3 vanaf blz. 218

  • Klaar? Werk aan je taken in Numo

Heb je vragen? Steek je hand op. 


timer
25:00

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht
Je bent door een boekenmagazine ingehuurd om een pagina te vullen over een boek. Die pagina vul je met de volgende zaken:
  • Een verslag over jouw leeservaring
  • Een afbeelding van het boek
  • Een mooie, grappige en/of spannende zin uit het boek
  • Eigen invulling, bijv. een interview, wist-je-datjes over het boek en de schrijver, een foto van jou met het boek, een stripverhaaltje

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht
- Jouw verslag is verdeeld in minimaal 3 alinea’s.
- Elke alinea heeft minstens vijf zinnen.
- Elke alinea begint op een nieuwe regel.


Slide 22 - Tekstslide

Opdracht
- Vertel in de inleiding welk boek je hebt gelezen, wie de auteur is en waarom je dat boek gekozen hebt.
- In het middenstuk vertel je waar het boek over gaat. (Wie zijn de hoofdpersonen? Vertel ook iets over hun karakter. Wat gebeurt er / is het probleem? Waar speelt het verhaal zich af? Wanneer speelt het verhaal zich af? Hoe gaat het verder?) W- en H-vragen.
- Zorg voor een goed slot. Vertel je wat je van het boek vond en waarom.
- Boven de tekst staat een passende titel. (NIET DE TITEL VAN HET BOEK!)



Slide 23 - Tekstslide

Opdracht
- De woorden zijn foutloos geschreven.
- Zinnen beginnen met een hoofdletter.
- Iedere zin eindigt met een punt, uitroepteken of vraagteken.
- Namen zijn met hoofdletters geschreven.



Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht deel 1
- Vertel in de inleiding:
  • welk boek je hebt gelezen
  • wie de auteur is
  • waarom je dat boek gekozen hebt.

- Elke alinea heeft minstens vijf zinnen.
- Let op spelling, leestekens en hoofdletters


Slide 26 - Tekstslide

Zelfstandig werken
  • Zet de tafels uit elkaar en werk zelfstandig
  • Start met de inleiding van je boekverslag.
  • Kijk goed in de opdracht wat erin moet komen te staan.
  • Werk je op je laptop? Sluit alles af behalve Word.
  • Heb je iets op internet nodig? Controleer bij mevrouw De Kok of je het op mag zoeken. 
  • Klaar? Ga verder met het middenstuk. 
Heb je vragen? Steek je hand op. 


timer
25:00

Slide 27 - Tekstslide

Huiswerk
Datum:
woensdag 19 maart
Maken:
Maak opdracht 2 t/m 4 vanaf blz. 246 (voltooid deelwoord)
Maak opdracht 1 t/m 5 vanaf blz. 248 (onregelmatige ww)

Slide 28 - Tekstslide

Lesdoelen

  • Ik kan de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd spellen.
  • Ik ken het verschil tussen zwakke en sterke werkwoorden.
  • Ik kan zwakke en sterke werkwoorden spellen.

Slide 29 - Tekstslide

Evaluatie
  • Wat heb je geleerd deze les?
  • Wat ging er goed?
  • Wat kan beter?

Slide 30 - Tekstslide

Tot de volgende les!

Slide 31 - Tekstslide