In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.
Onderdelen in deze les
H5 Rechtsstaat
Slide 1 - Tekstslide
PROGRAMMA
DOELEN
Quiz en filmpje
MAKEN §5.4 zelfstandig of samen met buurvrouw/ buurman
Slide 2 - Tekstslide
DOELEN
Wat weet je nog?
verschil is tussen een democratie en een dictatuur en dit uit kunnen leggen.
Kenmerken van een rechtstaat, democratie en dictatuur kunnen benoemen.
Weten wat Trias Politica is en dit uit kunnen leggen.
Slide 3 - Tekstslide
Wat weet je nog?
§5.1 vrijheid en onvrijheid
§5.2 grondwet en grondrechten
§5.3 Scheiding van machten
§5.5 Opgepakt.......en dan?
§5.6 Straffen of voorkomen?
Slide 4 - Tekstslide
In een rechtsstaat:
A
hebben burgers rechten en plichten en de overheid niet.
B
hebben burgers en overheid allebei rechten en plichten.
C
hebben burgers rechten en de overheid plichten.
D
hebben burgers plichten en de overheid rechten.
Slide 5 - Quizvraag
Tijs en Jelle hebben grondrechten.
Stefan heeft vrijheid
van meningsuiting (grondrecht)
Mark Rutte heeft alle macht in Nederland
Niemand heeft alle macht in Nederland. Er is sprake van een machtenscheiding.
WEL kenmerken rechtsstaat
Sergio de rechter is partijdig. Burgers die op de VVD stemmen krijgen minder straf.
GEEN kernmerken rechtsstaat
Slide 6 - Sleepvraag
Wat is géén grondrecht?
A
recht op vrijheid van meningsuiting
B
recht op gelijke behandeling
C
stemrecht
D
recht op geluk
Slide 7 - Quizvraag
de Scheiding der Machten: Trias Politica
de rechtbanken
parlement
regering: premier + ministers
Slide 8 - Sleepvraag
rechtsstaat
Slide 9 - Tekstslide
Iedere handeling van de overheid moet gebaseerd zijn op een wet
Scheiding van politieke macht in 3 onderdelen
Het gedrag van anderen beïnvloeden
Beoordeeld of wetten goed worden nageleefd
Ministers vertellen hun ambtenaren wat ze moeten doen
Neemt wetten aan waaraan burgers en overheid zich moeten houden
legaliteitsbeginsel
Autoritaire staat
Macht
Rechtsprekende macht
Trias politica
Uitvoerende macht
Wetgevende macht
Rechters zijn verplicht de regering te steunen
Slide 10 - Sleepvraag
Wat zijn mensenrechten?
A
Rechten die door regeringen worden gegeven
B
Rechten die alleen in sommige landen gelden
C
Rechten die alleen voor sommige mensen gelden
D
Rechten die iedereen heeft vanwege zijn of haar menselijke waardigheid
Slide 11 - Quizvraag
Wat is GEEN kenmerk van de rechtsstaat?
A
Er is geen sprake van machtenscheiding: de rechter is afhankelijk
B
Alle burgers zijn voor de wet gelijk. Er is rechtsgelijkheid.
C
Het handelen van de overheid moet gebaseerd zijn op de wet
D
Er zijn grondrechten
Slide 12 - Quizvraag
Wat zijn grondrechten?
A
Grondrechten zijn wetten voor iedereen.
B
Grondrechten zijn de rechten van burgers die staan vastgelegd in de grondwet.
C
Plichten voor alle Nederlanders.
D
Grondrechten zijn regels voor alle Nederlanders.
Slide 13 - Quizvraag
Wat is het legaliteitsbeginsel?
A
Naast rechten hebben we ook plichten.
B
Je kan niet twee keer worden vervolgd.
C
Iedere handeling van de overheid moet gebaseerd zijn op een wet.
D
De overheid kan ook strafbaar zijn.
Slide 14 - Quizvraag
Parlementaire democratie of dictatuur?
Parlementaire democratie
Dictatuur
Grondrechten
Persvrijheid
Leger heeft veel invloed
geen grondrechten
1 persoon heeft alle macht
vrije en geheime verkiezingen
Scheiding der machten
censuur
Slide 15 - Sleepvraag
Wat betekent censuur?
A
Het expres weglaten of veranderen van bepaalde informatie
B
Het voortdurend opdringen van een bepaalde mening
C
Aan negatieve beeldvorming doen
D
Dat er geen persvrijheid is in een land
Slide 16 - Quizvraag
De minister moet ervoor zorgen dat de politiechef op de hoogte is van de nieuwe wet. Dit past bij de?
A
Rechterlijke macht
B
Wetgevende macht
C
Uitvoerende macht
Slide 17 - Quizvraag
Slide 18 - Video
§5.4 Criminaliteit
Slide 19 - Tekstslide
PROGRAMMA
DOELEN
UITLEG
QUIZ
AFMAKEN §5.4
Filmpje Grondwet
Slide 20 - Tekstslide
LEERDOELEN
• Je kunt uitleggen wat criminaliteit is.
• Je kunt het verschil uitleggen tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden geven.
• Je kunt uitleggen dat criminaliteit tijdgebonden en plaatsgebonden is en hiervan voorbeelden geven
Slide 21 - Tekstslide
Slide 22 - Tekstslide
Wat is het verschil tussen asociaal en strafbaar gedrag?
A
Op strafbaar gedrag staat een celstraf
B
Op strafbaar gedrag staat een boete
C
Als je strafbaar bent ga je tegen de wet in
D
Als je strafbaar bent ga je tegen de maatschappij in
Slide 23 - Quizvraag
Terugblik; verschil tussen overtreding & misdrijf
Overtreding
Misdrijf
Door rood fietsen
Moord
Strafblad
Rijden zonder helm
Wildplassen
Inbraak
Handel in drugs
Slide 24 - Sleepvraag
In welk voorbeeld is er sprake van strafbaar gedrag?
A
Voordringen bij de kassa
B
Door rood rijden
C
Hardop muziek luisteren in de bus
D
Niet opstaan voor een invalide persoon.
Slide 25 - Quizvraag
tijdgebonden criminaliteit
plaatsgebonden criminaliteit
Te klein geboren kinderen weggooien
Pistool bij je hebben
internet
fraude
overspel
abortus
Slide 26 - Sleepvraag
Slide 27 - Video
Welke risicofactor zie overduidelijk terug in het vorige filmpje?
Slide 28 - Open vraag
Een verdachte
A
heeft altijd iets strafbaars gedaan
B
heeft geen rechten
C
wordt altijd veroordeeld
D
is misschien schuldig
Slide 29 - Quizvraag
Politie
Officier van justitie
Maakt een proces-verbaal.
Kan kiezen voor vervolging
Arresteert de verdachte.
Te weinig bewijs dus, seponeren
Slide 30 - Sleepvraag
Officier
van
justitie
Rechter
Verdachte
Advocaat
Ik word verdacht van mishandeling.
Ik vertel waar de verdachte van wordt beschuldigd.
Ik verdedig de verdachte zo goed mogelijk.
Ik beslis of de verdachte schuldig is.
Slide 31 - Sleepvraag
Zet het verloop van een rechtszaak in de goede volgorde
Uitspraak/ Vonnis
Advocaat houdt toespraak
Verhoor getuigen
Aanklacht
Opening
Verhoor verdachte
Officier van Justitie aan het woord
Laatste woord verdachte
Slide 32 - Sleepvraag
Verdachte
Rechters
Advocaat
OvJ
Slide 33 - Sleepvraag
Geef bij de volgende situaties aan of het gaat om repressie of preventie. Sleep het juiste antwoord naar de bijbehorende situatie.
Sommige mensen vinden dat kinderlokkers levenslang moeten krijgen.
Vaak kondigt de politie snelheidscontroles van tevoren al aan.
Preventie
Repressie
Slide 34 - Sleepvraag
bijkomende straf
maatregel
hoofdstraf
celstraf
taakstraf
inleveren rijbenwijs
geldboete
TBS
Ondertoezicht
stelling
Slide 35 - Sleepvraag
Wat is criminaliteit?
Als je geen rekening met anderen houdt ben je asociaal bezig. Maar als je daarmee ook een wetsregel overtreedt ben je strafbaar. Je pleegt dan een delict, een strafbaar feit.
Weet je het nog? Omdat we een rechtsstaat zijn moet iedereen zich aan de wet houden, ook de overheid.
Slide 36 - Tekstslide
Overtreding
Strafbare feiten die minder erg zijn.
Bijv. Zonder helm rijden: je krijgt wel een boete, maar hoeft niet naar de rechter en geen strafblad.
Misdrijf
Ernstige strafbare feiten.
Bijv. Stelen, mishandeling, drugshandel: Je wordt verhoord, krijgt vaak een zwaardere straf en een strafblad.
Criminaliteit: alle misdrijven zoals die in de wet staan.
Slide 37 - Tekstslide
Tijdgebonden
Wat strafbaar is en wat niet verandert door de tijd heen.
Bijv. Vroeger was overspel strafbaar, nu niet meer.
Plaatsgebonden
Wat in Nederland is toegstaan kan in een ander land strafbaar zijn.
Bijv. wapenbezit is in de VS legaal, in Nederland niet.
Criminaliteit is afhankelijk van tijd en plaats
Slide 38 - Tekstslide
Gevolgen criminaliteit
Materiële gevolgen: schade die je kunt berekenen in geld. Bijvoorbeeld een vernielde winkelruit.
Niet-materiële gevolgen: gevolgen die niet in geld zijn uit te drukken. Bijv. angst voor een nieuwe inbraak.
Slide 39 - Tekstslide
Oorzaken van criminaliteit
Er is vaak niet één bepaalde reden waarom mensen crimineel worden. Er zijn wel aangewezen risicofactoren.
Slechte opvoeding
Groepsdruk
Alcohol of drugsgebruik
Spijbelen/schooluitval
Biologische factoren
Let op: je kunt met al deze factoren te maken hebben, zonder de criminaliteit in te gaan!