H6 Warmte

H6 Warmte
Voor deze toets zijn maximaal 40 punten te behalen.
Vermeld altijd de berekening, als een berekening gevraagd wordt. Een goede uitkomst zonder berekening levert geen punten op.
• Vermeld bij een berekening altijd welke grootheid berekend wordt.
• Geef de uitkomst van de berekening ook altijd met een juiste eenheid.

1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

H6 Warmte
Voor deze toets zijn maximaal 40 punten te behalen.
Vermeld altijd de berekening, als een berekening gevraagd wordt. Een goede uitkomst zonder berekening levert geen punten op.
• Vermeld bij een berekening altijd welke grootheid berekend wordt.
• Geef de uitkomst van de berekening ook altijd met een juiste eenheid.

Slide 1 - Tekstslide

Een elektrische oven is een warmtebron. Welk voorwerp is ook een warmtebron?
A
Gasfornuis
B
Lamp
C
Televisie
D
Wekker

Slide 2 - Quizvraag

In afbeelding 1 staan vier energie-stroomdiagrammen van een elektrische oven. Welke diagram geeft de energieomzetting juist weer?

A
a
B
b
C
c
D
d

Slide 3 - Quizvraag

De oven heeft een vermogen van 3000 watt. Hoeveel warmte levert de oven als hij 30 minuten aanstaat? Geef je antwoord in MJ.

Slide 4 - Open vraag

Voor een thuispracticum zet Demi een pannetje met 150 mL water op een kookplaat. Ze meet iedere twee minuten de temperatuur van het water. Daarbij maakt ze tabel 1.

Teken op het werkblad de grafiek die hoort bij de gegevens van tabel 1.

Slide 5 - Open vraag

Voor een thuispracticum zet Demi een pannetje met 150 mL water op een kookplaat. In totaal is er 620 kJ aan energie verbruikt. Bereken het vermogen van de kookplaat. Ga ervan uit dat alle elektrische energie wordt omgezet in warmte.

Slide 6 - Open vraag

Hoeveel energie is er nodig om het water te laten koken? Gebruik voor de berekening je antwoord van de vorige vraag.
Geef je antwoord in kJ.

Slide 7 - Open vraag

Welk reactieschema van de verbranding van methaan is juist?
A
methaan + koolstofdioxide → zuurstof + water
B
methaan + zuurstof → koolstofdioxide + water
C
water + koolstofdioxide → methaan + zuurstof
D
water + zuurstof → koolstofdioxide + methaan

Slide 8 - Quizvraag

Welke van onderstaande warmtebronnen verbruiken chemische energie?

brander – föhn – gasfornuis – houtkachel

Slide 9 - Open vraag

Een gemiddeld huishouden verbruikt per dag 34,5 MJ aan elektrische energie. Ga ervan uit dat alle energie uit elektriciteitscentrales komt van centrales die steenkool verbranden.

1 kg steenkool heeft een verbrandingswarmte van 29 MJ/kg.
A) Hoeveel kilogram steenkool moet er per jaar in de elektriciteitscentrale worden verbrand om een gemiddeld huishouden voldoende energie te leveren? Rond af op een heel getal.
B) Leg uit of er in werkelijkheid meer of minder steenkool moet worden verbrand.

Slide 10 - Open vraag

Wat gebeurt er met de vlam van een gasbrander als je de gasregelknop verder opendraait?
A
De vlam wordt hoger.
B
De vlam wordt lager.
C
De vlam wordt blauwer.
D
De vlam wordt geler.

Slide 11 - Quizvraag

Wat gebeurt er als er niet voldoende zuurstof bij de brandstof kan komen?
A
Er ontstaat dan koolstofdioxide en roet.
B
Er ontstaat dan koolstofmono-oxide en roet.
C
Er ontstaat dan alleen koolstofdioxide.
D
Er ontstaat dan alleen koolstofmono-oxide.

Slide 12 - Quizvraag

In een pan wordt water verwarmd. Teken op het werkblad hoe het water stroomt.

Slide 13 - Open vraag

Het water in de pannen heeft op een bepaald moment een temperatuur van 76 °C. Hoe hoog is deze temperatuur in Kelvin?
A
-349 K
B
-197K
C
197 K
D
349 K

Slide 14 - Quizvraag

De handvatten die aan de pan zitten, zijn vaak van kunststof gemaakt.
Leg uit welke manier van warmtetransport je hiermee vermindert.

Slide 15 - Open vraag

Welk ander materiaal kun je voor de handvatten gebruiken in plaats van kunststof, zodat het warmtetransport naar je handen vermindert.
A
Aluminium
B
Hout
C
Koper
D
Ijzer

Slide 16 - Quizvraag

Op een winterdag stapt Indy naar buiten en ziet dat heeft gesneeuwd. De zon schijnt, het is 5 °C buiten, maar toch smelt de sneeuw niet zo snel als ze had verwacht. Door welke vorm van warmtetransport verwarmt de zon de sneeuw?
A
Geleiding
B
Stroming
C
Straling

Slide 17 - Quizvraag

Hoe komt het dat de sneeuw niet zo snel smelt in de zon?

Slide 18 - Open vraag

Een huis kan op verschillende manieren warmte verliezen aan de omgeving. Welke vorm van warmtetransport ga je vooral tegen als je deuren en ramen gesloten houdt?
A
Geleiding
B
Stroming
C
Straling

Slide 19 - Quizvraag

Noteer een reden waarom het belangrijk is om je huis goed te isoleren.

Slide 20 - Open vraag

Meneer en mevrouw De Vries hebben een kruipruimte onder de vloer op de
begane grond. Deze ruimte kunnen zij isoleren met isolatiemateriaal. Door de isolatie van de kruipruimte springt de cv-ketel minder vaak aan. Hiermee bespaart de familie 10 m3 aardgas per m2 vloeroppervlak per jaar. De vloer heeft een oppervlakte van 30 m2 en de gasprijs is € 0,75 per m3 aardgas.

Bereken hoeveel geld familie De Vries kan besparen per jaar door de kruipruimte te isoleren.

Slide 21 - Open vraag


Het isoleren kost € 9,15 per m2 aan materiaal en € 250,- aan arbeidsuren.
Na hoeveel jaar zijn de kosten terugverdiend? Gebruik je antwoord uit de vorige vraag.

Rond af op één decimaal.

Slide 22 - Open vraag

Noteer nog een andere manier waarop je het huis kunt isoleren, waarbij je gebruikmaakt van minder warmteverlies door straling.

Slide 23 - Open vraag

Noteer nog twee andere manieren om een huis te isoleren.

Slide 24 - Open vraag

Check of je alle opdrachten op je werkblad hebt gemaakt!

Slide 25 - Open vraag