Volgende les: Herhaling/reflectie en bespreken huiswerk
Slide 4 - Tekstslide
Lesdoelen: na de les weet je.....
Je kunt voorbeelden noemen van enkele belastinginkomsten van de overheid.
Je kunt de belangrijkste inkomsten noemen die een gemeente heeft.
Je kunt het verschil uitleggen tussen directe en indirecte belastingen.
Je kunt enkele niet-belastingontvangsten noemen.
Slide 5 - Tekstslide
Uitleg en instructie...
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Tekstslide
Rekenvraag: Marloes betaalt aan huur maandelijks € 678. Ze ontvangt € 112 huurtoeslag per maand. Bereken hoeveel procent van de maandhuur Marloes zelf moet betalen.
Slide 11 - Open vraag
vragen?
Slide 12 - Tekstslide
Maken opdrachten
Maken van opdrachten 2 t/m 5 (blz. 130-131)
timer
10:00
Slide 13 - Tekstslide
Bespreken opgave 2 t/m 5
Slide 14 - Tekstslide
Huiswerk volgende les
Maken:
Par. 6.3: Opdrachten 2 t/m 13
Slide 15 - Tekstslide
Huiswerk bespreken
Par. 6.3: Opdrachten 2 t/m 13
Slide 16 - Tekstslide
Reflectie: Zijn de lesdoelen behaald?
Je kunt voorbeelden noemen van enkele belastinginkomsten van de overheid.
Je kunt de belangrijkste inkomsten noemen die een gemeente heeft.
Je kunt het verschil uitleggen tussen directe en indirecte belastingen.
Je kunt enkele niet-belastingontvangsten noemen.
Slide 17 - Tekstslide
Directe belasting
Indirecte belasting
Andere inkomsten
Slide 18 - Sleepvraag
De loonbelasting is een voorbeeld van een ...
A
directe belasting
B
indirecte belasting
Slide 19 - Quizvraag
Bij het kopen van een ID-kaart wordt uitgegaan van het .......
A
solidariteitsbeginsel
B
profijtbeginsel
Slide 20 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van een niet-belastingontvangst?
A
BTW
B
Parkeergeld
C
Accijns
Slide 21 - Quizvraag
Wat betekent de afkorting BTW?
A
bruto toenemende waarde
B
belasting toenemende waarde
C
bruto toegevoegde waarde
D
belasting toegevoegde waarde
Slide 22 - Quizvraag
BTW is een voorbeeld van een ......
A
directe belasting
B
indirecte belasting
Slide 23 - Quizvraag
Hoe bereken je 9% van € 4,50?
A
4,50 : 9
B
4,50 : 9 x 100
C
4,50 x 9
D
4,50 : 100 x 9
Slide 24 - Quizvraag
6,8 miljoen =
A
6.800.000
B
68.000.000
C
6.800.000.000
D
68.000.000.000
Slide 25 - Quizvraag
Wat is de grootste bron van inkomsten voor de gemeenten?