BK en TH 5.1: Genotype en fenotype

 5.1: Genotype en fenotype
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

 5.1: Genotype en fenotype

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt benoemen dat alle cellenvan je lichaam dezelfde erfelijke informatie bevatten.
  • Je kunt omschrijven wat het genotype en het fenotype zijn.
  • Je kunt uitleggen dat cellen alleen de erfelijke informatie gebruiken die ze nodig hebben. 

Slide 2 - Tekstslide

Erfelijkheid
Je lichaam is opgebouwd uit cellen. 
Alle cellen hebben een celkern met daarin de informatie voor erfelijke eigenschappen.
Die informatie heb gekregen van je vader en je moeder.

Slide 3 - Tekstslide

Chromosomen
De cellen waaruit je lichaam is opgebouwd, heten lichaamscellen. Elke celkern van elke lichaamscel bevat 46 chromosomen.
Chromosomen zijn lange dunne draden in de celkern.
Ze bestaan uit de stof DNA.
In de DNA is informatie opgeslagen voor je erfelijke eigenschappen.

Slide 4 - Tekstslide



Je lichaam bestaat uit
lichaamscellen.
Elke lichaamscel heeft een celkern.

Slide 5 - Tekstslide

 

In elke celkern liggen chromosomen.
Chromosomen zijn lange dunne draden.

Slide 6 - Tekstslide



In deze draden zit de stof DNA.
Dit DNA bevat informatie voor erfelijke eigenschappen.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Genotype en fenotype
Al je lichaamscellen zijn ontstaan uit 1 enkele bevruchte eicel.

Door celdeling ontstaan nieuwe cellen uit de bevruchte eicel.


Slide 9 - Tekstslide

Celdeling
Bij elke celdeling worden chromosomen gekopieerd.
Elke dochtercel krijgt een complete set chromosomen.
Daar bevat elke celkern van elke lichaamscel dezelfde erfelijke informatie.
De informatie erf je van je ouders (50% vader, 50% moeder)

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Chromosomen
Je chromosomen bevatten informatie over duizenden eigenschappen.
Voor elke eigenschap zijn een paar stukjes DNA nodig.
Een gen bestaat uit de stukjes DNA die samen informatie voor eigenschap bevatten.

Slide 13 - Tekstslide

Genotype
De 46 chromosomen in 1 celkern bevatten samen alle genen, dus de informatie van al je erfelijke eigenschappen.
Deze complete informatie noem je het genotype.
Dus:
Het genotype van een organisme is de informatie voor de erfelijke eigenschappen van dat organisme.

Slide 14 - Tekstslide

Genotype
Het genotype ontstaat op het moment van bevruchting.
De chromosomen van de vader en van de moeder komen bij elkaar in 1 cel.
Uit die ene cel ontstaan alle andere cellen van een organisme.

Slide 15 - Tekstslide

Fenotype
Je kunt vaak aan een kind zien dat het eigenschappen heeft geërfd van de vader en moeder.
Alle eigenschappen van een organisme noem je het fenotype. 
Bij het fenotype horen de zichtbare eigenschappen, zoals oogkleur. Maar ook de onzichtbare eigenschappen horen erbij, zoals je bloeddruk of de bouw van je organen.

Slide 16 - Tekstslide

Fenotype
Het fenotype wordt bepaald door je genotype, maar ook je leefstijl en omgeving. 
Bv. als je van jezelf bruin haar hebt, komt dat door je genotype.
Maar als paars haar verft, ziet je haar er anders uit. Je fenotype  
verandert dan door je leefstijl. Maar je genotype verandert niet. Je hebt immers nog steeds bruin haar.

Slide 17 - Tekstslide

Samengevat
  • Genotype: de informatie voor de erfelijke eigenschappen van dat organisme (in de genen/chromosomen)
  • Fenotype: alle zichtbare (uiterlijk) en onzichtbare (innerlijk) eigenschappen van een organisme. 

Slide 18 - Tekstslide

Je genotype blijft je hele leven hetzelfde.

Je fenotype kan steeds veranderen.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Aan het werk
Jullie gaan paragraaf 5.1 lezen 
en 
maken!!

Slide 21 - Tekstslide