In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
serie en parallel
Slide 1 - Tekstslide
Serie en parallel
Slide 2 - Tekstslide
Wet van Ohm
Slide 3 - Tekstslide
De weerstand berekenen
De formule:
R = Weerstand (Ohm)
U = Spanning (Volt)
I = Stroomsterkte (Ampère)
Slide 4 - Tekstslide
Rekenen met weerstand
Een radio heeft een stroomsterkte van 0,2 A. Hij is aangesloten op een spanning van 230 V. Wat is de weerstand?
Gegeven I = 0,2 A U = 230 V
Gevraagd R
Formule R = U : I
Berekening R= 230 : 0,2 = 1150
Antwoord R= 1150 Ω
Slide 5 - Tekstslide
Elektrisch vermogen
Elektrisch vermogen kun je ook uitrekenen met de spanning U en de stroom I: P = U x I (in Watt) U = P / I (in Volt) I = P / U (in Ampere)
Slide 6 - Tekstslide
Elektrisch vermogen berekenen
Slide 7 - Tekstslide
Elektrische energie
Slide 8 - Tekstslide
Kosten van energie
Als je weet hoeveel je moet betalen voor 1 kWh energie dan kun je de totale kosten berekenen die je in een bepaalde periode verbruikt. Dit doe je met de volgende formule:
Kosten = prijs voor 1 kWh x hoeveelheid kWh verbuikt
Afspraak: prijs voor 1 kWh = 0.25 euro
Als we de kosten in voorgaand voorbeeld berekenen komen we uit op:
kosten = 0.25 x 6kWh =1.50 euro
Slide 9 - Tekstslide
Oefenen:
Van 19:00u tot 23:00u staan in je kamer 2 lampen van 15 W per lamp aan. Ook je computer van 250 W staat aan.
Vraag:
1. Bereken het energie verbruik in kWh van al deze apparaten samen. Laat je berekening zien.
2. Bereken hoeveel je hiervoor moet betalen als 1 kWh 0,25 euro kost. Laat je berekening zien.
Slide 10 - Tekstslide
Is dit een serie- of parallelschakeling?
A
serie
B
parallel
Slide 11 - Quizvraag
Is het een serieschakeling of een parallelschakeling?
A
Serie
B
parallel
Slide 12 - Quizvraag
Serie of parallel?
A
Dit is een serieschakeling
B
Dit is een parallelschakeling
Slide 13 - Quizvraag
Een batterij heeft een spanning van 9V, de stroomsterkte door de stroomkring is 3A. Bereken de weerstand door de stroomkring.
Welke formule kies je?
A
Weerstand=stroomsterktespanning
B
vermogen=spanning⋅stroomsterkte
C
Energiegebruik=vermogen⋅tijd
D
Rendement=TotaalNuttig⋅100
Slide 14 - Quizvraag
Het lampje dat Joris gebruikt laat een stroom door van 0,5 A als de spanning 2 V is.
Hoe groot is de weerstand?
A
0,5 Ω
B
1 Ω
C
2 Ω
D
4 Ω
Slide 15 - Quizvraag
Hans speelt een uur op zijn elektrische gitaar. De versterker heeft een vermogen van 60 W. Hoeveel elektrische energie verbruikt Hans?
A
Energie = Vermogen x tijd
dus 60 W x 1 uur = 60 Wh
B
Energie = Vermogen x tijd
dus 0,060 kW x 1 uur = 0,060 kWh
C
Energie = Vermogen x tijd
dus 60 W x 3600 s = 216.000 Joule
D
Dat kun je niet weten want dat ligt eraan hoe hard hij speelt
Slide 16 - Quizvraag
Een elektrische zaag heeft een vermogen van 750 W. Hoeveel elektrische energie gebruikt de zaag in 8 uur?
A
6 kWh
B
9,4 kWh
C
93,75 kWh
D
6000 kWh
Slide 17 - Quizvraag
Het vermogen is de elektrische energie die een apparaat per seconde gebruikt.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 18 - Quizvraag
De formule om de elektrische energie uit te rekenen, is:
A
E=U⋅I
B
E=tP
C
E=IU
D
E=P⋅t
Slide 19 - Quizvraag
Een JBL extreme 2 heeft een vermogen van 36 W. De box staat in de pauze 20 minuten aan op 60 % van het vermogen. Bereken het elektrisch energie verbruik.
Slide 20 - Open vraag
58 Peter bouwt het model van een waterkrachtcentrale van afbeelding 18 van je handboek. Er is één verschil: in de emmer van Peter zit nu geen 1,5 kg water, maar 2,5 kg.
b Wat gebeurt er met het elektrische vermogen dat de dynamo levert?
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.