PW H1 - BASIS

hoe komt het dat een een heteluchtballon in de lucht zweeft?
A
de stuwkracht van de vlam duwt de ballon omhoog
B
de lucht in de ballon is lichter dan de lucht buiten de ballon
C
de vorm van de ballon zorgt ervoor dat de wind de ballon omhoog duwt
1 / 30
volgende
Slide 1: Quizvraag
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

hoe komt het dat een een heteluchtballon in de lucht zweeft?
A
de stuwkracht van de vlam duwt de ballon omhoog
B
de lucht in de ballon is lichter dan de lucht buiten de ballon
C
de vorm van de ballon zorgt ervoor dat de wind de ballon omhoog duwt

Slide 1 - Quizvraag

Wat is een andere naam voor een proef?
A
verslag
B
experiment
C
practicum
D
werkstuk

Slide 2 - Quizvraag

Met welke vraag begint een proef altijd?
A
beginvraag
B
eerste vraag
C
proefvraag
D
onderzoeksvraag

Slide 3 - Quizvraag

Welke waarneming gebruik je als je met een thermometer de temperatuur meet?
A
voelen
B
ruiken
C
zien
D
horen

Slide 4 - Quizvraag

Wat komt er te staan onder MATERIALEN in een verslag?
A
wat je gezien hebt
B
wat je gehoord hebt
C
wat je gedaan hebt
D
wat je gebruikt hebt

Slide 5 - Quizvraag

Henk gaat onderzoeken hoeveel een plant elke week groeit. Hij meet daarvoor elke vrijdagmiddag de hoogte van de plant en zet daarna de meetgegevens netjes in een tabel.

Waar moeten de meetgegevens komen in het verslag?
A
bij de waarnemingen
B
bij de materialen
C
bij de werkwijze
D
bij de conclusie

Slide 6 - Quizvraag

omschrijf zo volledig mogelijk het verschil tussen een ontdekking en een uitvinding...

Slide 7 - Open vraag

Hoe heet dit glaswerk?
A
erlenmeyer
B
trechter
C
reageerbuis
D
maatcylinder

Slide 8 - Quizvraag

Hoe heet dit glaswerk?
A
erlenmeyer
B
trechter
C
reageerbuis
D
maatcylinder

Slide 9 - Quizvraag

Hoe heet dit glaswerk?
A
erlenmeyer
B
trechter
C
reageerbuis
D
maatcylinder

Slide 10 - Quizvraag

Hoe heet dit onderdeel van de brander?
----->
A
gasregelschroef
B
luchtring

Slide 11 - Quizvraag

Wat regel je met dit onderdeel van de brander?
--->
A
de grootte van de vlam
B
de hitte van de vlam

Slide 12 - Quizvraag

Hoe heet de vlam boven nummer 3?
      1             2            3
A
de gele vlam
B
de blauwe of doorzichtige vlam
C
de ruisende vlam (met kern)
D
geen idee

Slide 13 - Quizvraag

welke vlam gebruik als je even niets hoeft te verhitten?
A
de gele vlam
B
de blauwe vlam
C
de ruisende vlam
D
geen enkele vlam

Slide 14 - Quizvraag

welke vlam is het heetst?
A
de gele vlam
B
de blauwe vlam
C
de ruisende vlam
D
alle vlammen zijn even heet

Slide 15 - Quizvraag

Als je op de noodstop drukt gaat ook het licht uit in het lokaal.
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quizvraag

Als je een gevaarlijke situatie ziet gebeuren aan een machine met een noodstop, wat moet je dan doen?
A
aan de docent vragen of je op de noodstop mag drukken
B
gelijk op de noodstop drukken
C
aan de docent doorgeven dat er een gevaarlijke situatie is
D
niets, gewoon blijven kijken

Slide 17 - Quizvraag

Welke van de onderstaande antwoorden is een GROOTHEID?
A
kilogram
B
massa
C
Newton
D
liter

Slide 18 - Quizvraag

Welke van de onderstaande antwoorden is een EENHEID?
A
inhoud
B
gewicht
C
temperatuur
D
graden Celsius

Slide 19 - Quizvraag

Welke eenheid hoort NIET bij de grootheid MASSA?
A
kg
B
g
C
mL
D
mg

Slide 20 - Quizvraag

Welk meetinstrument kun je het beste gebruiken om de inhoud (volume) te meten van een glas ranja?
A
keukenweegschaal
B
thermometer
C
meetlat
D
maatbeker

Slide 21 - Quizvraag

Welke grootheid meet je met een stopwatch?
A
volume
B
tijd
C
massa
D
seconden

Slide 22 - Quizvraag

In een fles cola zit 2 liter cola.
Hoeveel milliliter is dat?
A
20 mL
B
20.000 mL
C
200 mL
D
2.000 mL

Slide 23 - Quizvraag

Een veulen weegt 88.000 gram. Hoeveel kilogram is dat? Schrijf je berekening op.

Slide 24 - Open vraag

Je hebt 20 gram meel nodig voor 1 koekje.
Je hebt een pak van 1 kilogram meel.
Hoeveel koekjes kun je hiermee maken?
Schrijf je berekening op!

Slide 25 - Open vraag

Welke bewering over een vloeistofthermometer is juist?
A
de vloeistof krimpt als de temperatuur stijgt
B
de bovenkant van de vloeistof geeft de temperatuur aan
C
de temperatuur wordt gemeten met een sensor
D
je leest de temperatuur af op het display

Slide 26 - Quizvraag

Hoeveel graden geeft deze thermometer aan?
A
-4 graden Celsius
B
van 40 tot 50 graden Celsius
C
van -40 tot +50 graden Celsius
D
16 graden Celsius

Slide 27 - Quizvraag

Wat is het meetbereik van deze thermometer?
A
-4 graden Celsius
B
van 40 tot 50 graden Celsius
C
van -40 tot +50 graden Celsius
D
16 graden Celsius

Slide 28 - Quizvraag

Welke temperatuur geeft deze thermometer aan?
A
36 graden Celsius
B
24 graden Celsius
C
-36 graden Celsius
D
-24 graden Celsius

Slide 29 - Quizvraag

Welke bewering is juist?
A
de zweed Celsius heeft de digitale thermometer uitgevonden
B
de vloeistof in een stijgbuis stijgt als de temperatuur daalt
C
water kookt bij 100 graden Celsius
D
een koortsthermometer kun je ook als oventhermometer gebruiken

Slide 30 - Quizvraag