SPREEKLES: Waar woon jij?

Het huis
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Secundair onderwijs

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Het huis

Slide 1 - Tekstslide

Het huis

Slide 2 - Woordweb

Slide 3 - Video

Waar staat de fiets?
A
bij de voordeur
B
in de tuin
C
tegen de muur
D
op de stoep

Slide 4 - Quizvraag

Waar is de kapstok?

Slide 5 - Open vraag

Hoe heet de vrouw?
A
Joke
B
Jet
C
Jantien
D
José

Slide 6 - Quizvraag

Waar kookt Jet?

Slide 7 - Open vraag

Waar is de douche?

Slide 8 - Open vraag

Heb jij een bad?

Slide 9 - Poll

4. WAT is dicht bij / ver van de school?

Slide 10 - Tekstslide

4. WAT is dicht bij / ver van de school?
Leerling 1: Ik woon dicht bij de kerk.
Leerling 2. Hij woont dicht bij de kerk, ik woon dicht bij de supermarkt.
Leerling 3: Hij woont dicht bij de kerk, hij woont dicht bij de supermarkt, ik woon dicht bij de ...

Slide 11 - Tekstslide

6. Wat is een stad / dorp?

Slide 12 - Tekstslide

7. Wat hoort bij elkaar?
klein                             het dorp
oud                               groot
het huis                      de flat
ver                                 nieuw
de kerk                        dichtbij
de stad                        de moskee

Slide 13 - Tekstslide

8. Wat zeg je?

Slide 14 - Tekstslide

8. Wat zeg je?

Slide 15 - Tekstslide

8. Wat zeg je?

Slide 16 - Tekstslide

8. Wat zeg je?

Slide 17 - Tekstslide

8. Wat zeg je?

Slide 18 - Tekstslide

9. Vraag en antwoord
Waar woon jij?
Heb je een groot of een klein huis?
Heb je een nieuw of een oud huis?
Woon je in een huis of een flat?
In welke stad / welk dorp woon jij?
Woon jij dicht bij of ver van het station?

Slide 19 - Tekstslide

1. KIJK naar het fragment. (6.2**)
RONDE 1:
  1. Wat zie je?

RONDE 2:
  1. BEANTWOORD de vragen.

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Daan woont in een ...
A
flat
B
kerk
C
huis
D
studio

Slide 22 - Quizvraag

Hoeveel kamers heeft het huis?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 23 - Quizvraag

Waarom komt de oom van Daan met de trap?
A
Hij wil niet.
B
De lift is kapot.
C
Er is geen lift.

Slide 24 - Quizvraag

Welke kleur heeft de keuken?
A
rood
B
wit
C
geel
D
oranje

Slide 25 - Quizvraag

13. Wat zeg je?

Slide 26 - Tekstslide

13. Wat zeg je?

Slide 27 - Tekstslide

13. Wat zeg je?

Slide 28 - Tekstslide

13. Wat zeg je?

Slide 29 - Tekstslide

13. Wat zeg je?

Slide 30 - Tekstslide

13. Wat hoor je? Fluisterspel

Slide 31 - Tekstslide

5. Balspel 
Heb je een groot huis?
Heb je klein huis?
Heb je een nieuw huis?
Heb je een oud huis?
Is jouw straat druk?
Is jouw woonplaats rustig?
Woon jij ver van het station?

Slide 32 - Tekstslide

15. MAAK een goede zin.
De zolder                                                      Het dorp
De badkamer                                              De stad
De tuin                                                            Koken
De fiets                                                           Open/ dicht
De kapstok                                                    De muis
De trap                                                             Het raam

Slide 33 - Tekstslide

16. BESCHRIJF jouw droomhuis.
- Is het een oud of een nieuw huis / appartement?
- Is het een groot of een klein huis / appartement?
- Hoeveel slaapkamers zijn er?
- Is er een tuin of een balkon?
- Hoe ziet de keuken er uit?
- Hoe ziet de badkamer er uit?
- Is er een zolder, een berging ...?

Slide 34 - Tekstslide