H5.1 omzet, kosten, winst

WELKOM 3H2
23 JANUARI 2024
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

WELKOM 3H2
23 JANUARI 2024

Slide 1 - Tekstslide

PROGRAMMA
  • indeling groepen A, B en C
  • uitleg theorie van omzet naar nettowinst
  • voorbeeld: gezamenlijk
  • uitleg theorie btw
  • zelfstandig aan het werk met opdracht 2 tot en met 9
  • terugblik op de les... wat heb ik geleerd? 

Slide 2 - Tekstslide

huiswerk -> noteer in je agenda
maken: opdracht 2 tot en met 9 (bladzijde 146/148)
lezen: paragraaf 5.1 uit je tekstboek (145 + 146 + 147)

Slide 3 - Tekstslide

leerdoelen
  1. ik kan ... de nettowinst berekenen m.b.v. de omzet en de verschillende soorten kosten
  2. ik kan ... btw berekenen van een product, zowel inclusief als exclusief btw
  3.  ik kan ... de volgende begrippen beschrijven: omzet, inkoopwaarde van de goederen, bedrijfskosten, resultaat, ontvangen btw, betaalde btw, consumentenprijs

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Omzet

Slide 6 - Woordweb

let op: 
nettowinst wordt ook wel resultaat genoemd

Slide 7 - Tekstslide

Kosten

Slide 8 - Woordweb

Winst

Slide 9 - Woordweb

Slide 10 - Tekstslide

voorbeeld
Gegeven:  
  • een schoenenhandelaar verkoopt 245 paar schoenen voor €89,80 (exclusief btw)
  • de inkoopwaarde van die partij is €15.000.
  • de bedrijfskosten zijn €1.300

Slide 11 - Tekstslide

gevraagd
Gegeven:  
  • een schoenenhandelaar verkoopt 245 paar schoenen voor €89,80 (exclusief btw)
  • de inkoopwaarde van die partij is €15.000.
  • de bedrijfskosten zijn €1.300

  • GEVRAAGD: de omzet van deze ondernemer

Slide 12 - Tekstslide

antwoord
omzet : afzet x verkoopprijs (exclusief btw)

245 x € 89,80 =
€ 22.000

Slide 13 - Tekstslide

gevraagd
Gegeven:  
  • een schoenenhandelaar verkoopt 245 paar schoenen voor €89,80 (exclusief btw)
  • de inkoopwaarde van die partij is €15.000.
  • de bedrijfskosten zijn €1.300

  • GEVRAAGD:
  • Bereken de bruto winst én het resultaat van deze onderneming 
  •                       let op resultaat = winst (of verlies)  

Slide 14 - Tekstslide

antwoord
omzet : € 22.000
inkoopwaarde : €15.000 -

Slide 15 - Tekstslide

antwoord
omzet : € 22.000
inkoopwaarde : €15.000 -
brutowinst €  7.000

Slide 16 - Tekstslide

antwoord
omzet : € 22.000
inkoopwaarde : €15.000 -
brutowinst €  7.000
bedrijfskosten : € 1.300 -
resultaat (netto winst) € 5.700

Slide 17 - Tekstslide

Om de omzet te berekenen,
gebruik je:
A
afzet x consumentenprijs
B
afzet x verkoopprijs
C
afzet x inkoopprijs
D
Verkoopprijs - BTW

Slide 18 - Quizvraag

Welke stelling is juist.
A
Brutowinst is inclusief btw, nettowinst is exclusief btw.
B
Over nettowinst betaal je geen belasting, over bruto winst wel.
C
Van de brutowinst betaal je de bedrijfskosten
D
Bij brutowinst is de omzet altijd 100%

Slide 19 - Quizvraag

Hoe bereken je de nettowinst?
A
Omzet - bedrijfskosten
B
brutowinst - bedrijfskosten
C
Omzet - brutowinst
D
omzet - brutowinst - bedrijfskosten

Slide 20 - Quizvraag

BTW voor bedrijven 
  • Klant betaalt BTW aan winkelier -> ontvangen btw
  • Winkelier draagt dit af aan belastingdienst 

  • Winkelier betaalt BTW aan leverancier (bij inkoop) -> betaalde btw
  • Belastingdienst geeft BTW terug aan winkelier 

Slide 21 - Tekstslide

Bepalen verkoopprijs met/zonder btw
2 varianten
  1. van exclusief btw naar inclusief btw
  2. van inclusief btw naar exclusief btw

LET OP: 
Verkoopprijs inclusief btw noemen we consumentenprijs

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Is verkoopprijs inclusief of exclusief btw?
A
inclusief
B
exclusief
C
verschilt per situatie
D
geen idee

Slide 25 - Quizvraag

Wat heb ik geleerd vandaag?

Slide 26 - Open vraag