Ch 5 - E: Writing (Prefixes)

Prefixes
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Prefixes

Slide 1 - Tekstslide

At the end of this LessonUp
you know what prefixes are. 


Slide 2 - Tekstslide

Prefixes 
  • Een prefix is een voorvoegsel wat je voor een woord zet. 
  • Er zijn veel verschillende prefixes,  in deze LessonUp kijken we naar twee prefixes: un en re. 
  • Prefixes en suffixes veranderen de betekenis van het woord.

Slide 3 - Tekstslide

Prefixes / Voorvoegsels
Komen voor het woord

Veranderen de betekenis van het woord

Slide 4 - Tekstslide

Prefixes
  • Een prefix noem je in het Nederlands een voorvoegsel.
  • Je zet iets voor een woord om het een andere betekenis te geven. 
  • Meestal zet je er on voor om het tegenovergestelde te zeggen:
  • vriendelijk           onvriendelijk
  • prettig                   onprettig


Slide 5 - Tekstslide

Prefixes 
  • A prefix changes the meaning of a word
  • In English you can use un as a prefix

  • able            unable: To not be able to do something
  • Example: She is unable to attend tomorrow's meeting

Slide 6 - Tekstslide

Prefixes 
  • A prefix changes the meaning of a word
  • In English you can use un as a prefix

  • beaten            unbeaten: To not have lost any games
  • Example: In 2004, Ajax went the whole football season unbeaten (ja, ja, de tijden veranderen!) 

Slide 7 - Tekstslide

Prefixes 
  • A prefix changes the meaning of a word
  • In English you can use un as a prefix

  • fair            unfair: not equal or not right
  • Example: It's unfair to give you five tests in one week. 

Slide 8 - Tekstslide

Use the prefix un.
What is the opposite of happy?

Slide 9 - Open vraag

Use the prefix un:
What is the opposite of kind?

Slide 10 - Open vraag

Prefixes 
  • In het Nederlands gebruik je ook her als een voorvoegsel
  • Schrijven          herschrijven
  • Gebruiken        hergebruiken
  • Formuleren     herformuleren

  • Her gebruik je om aan te geven dat je iets opnieuw doet of moet doen. In het Engels gebruik je dan re

Slide 11 - Tekstslide

Prefixes 
  • A prefix changes the meaning of a word
  • In English you can use re as a prefix

  • fill           refill: 
  • Example: I need to refill my waterbottle before we go, it's nearly empty. 

Slide 12 - Tekstslide

Prefixes 
  • A prefix changes the meaning of a word
  • In English you can use re as a prefix

  • use           reuse: 
  • Example: We can wash these jars and reuse them. 

Slide 13 - Tekstslide

Prefixes 
  • A prefix changes the meaning of a word
  • In English you can use re as a prefix

  • play           replay: 
  • Example: Because there was no winner the teams need to replay the game next week. 

Slide 14 - Tekstslide

Use the prefix re:
We need to ......... (heat) our food, it had gone cold.

Slide 15 - Open vraag

Use the prefix re:
Our dog was lost, but suddenly it ...... (appeared) again.

Slide 16 - Open vraag

Choose the correct prefix

...proper
A
un-
B
im-
C
in-
D
dis-

Slide 17 - Quizvraag

Choose the correct prefix

...typical
A
a-
B
im-
C
un-
D
in-

Slide 18 - Quizvraag

Choose the correct prefix

...sufficient
A
im-
B
un-
C
in-
D
a-

Slide 19 - Quizvraag

I know what a prefix is.
😒🙁😐🙂😃

Slide 20 - Poll

Slide 21 - Link

Let's get to work
Blz 74-75
Opdr 31-32

Slide 22 - Tekstslide