havo 4 week 10

havo 4 week 10
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

havo 4 week 10

Slide 1 - Tekstslide

h4 semaine 10
A: les buts de cette semaine
C speeddating
B: à corriger, weektaak 8
D:   : grammaire III : ex 24
o Speeddating (23) / Grammaire III , ex 24
o Apprendre pour le test schrijfva
À faire : ex 24 et apprendre pour le test

Slide 2 - Tekstslide

buts de la semaine
lundi, vous allez parler! On va faire un cours de speeddating!
Un peu de préparation et puis hop! à vous de parler!
Mardi, c'est encore de la grammaire

Slide 3 - Tekstslide

GRAMMAIRE III – DE ONTKENNINGEN EN HET LIDWOORD









GRAMMAIRE II – WEDERKERENDE WERKWOORDEN, CONDUIRE, DIRE, METTRE EN PRENDRE

Exercice 18A
1 zeg = dire
2 ben opgestaan = se lever
3 heb genomen = prendre
4 heb me aangekleed = s’habiller
5 nemen = prendre
6 zetten/doen=mettre
7 me haasten = se dépêcher
8 heb gereden = conduire
9 rust uit = se reposer
10 naar bed gaan = se coucher




Voorbeelduitwerking:
1 À sept heures, je me réveille. Ah, c’est trop tôt.
2 Puis, je m’habille en dix minutes.
3 Nous prenons le petit-déjeuner en famille.
4 Je me dépêche. Dans dix minutes, mon train va partir.




Exercice 18B
1 prendrons = zullen nemen
2 me présente = stel me voor
3 se sont retournés = zich hebben omgedraaid
4 conduisait = bestuurde
5 dites = zegt
6 s’est approché = is dichterbij gekomen
7 se dépêchaient = haastten zich
8 mettras = zul aantrekken

 Les verbes au cahier 18-22


18c 
1 mettez
2 se sont promenés / baladés
3 dira
4 me couchais
5 prendre
6 se réveillera
7 conduit
8 t’es lavé

Slide 4 - Tekstslide

GRAMMAIRE III – DE ONTKENNINGEN EN HET LIDWOORD











18d
1 À sept heures, je me réveille. Ah, c’est trop tôt.
2 Puis, je m’habille en dix minutes.
3 Nous prenons le petit-déjeuner en famille.
4 Je me dépêche. Dans dix minutes, mon train va partir.




19a 
1 heeft een oogje op
2 versiert
3 is gevallen op
4 is smoorverliefd op
5 heeft zijn liefde verklaard
6 liefde op het eerste gezicht
7 houdt van
8 haar prins op het witte paard



 Les verbes au cahier 18-22


Exercice 19B – 1 fréquente
2 maigre comme un clou
3 accompagner
4 en commun
5 bousculé
6 costaud
7 délicat
8 soit … soit …
9 brillent
10 désespère
Exercice 20 – compréhension globale
I op het station
II online
III op het sportveld


 


Slide 5 - Tekstslide

GRAMMAIRE III – DE ONTKENNINGEN EN HET LIDWOORD









Exercice 21
fragment 1 1 van school / 2 a Parijs, studeren. / b Lyon, studeren. c Stéphanie (ze bleef tot Parijs in de trein zitten bij Émile). / 3 B
fragment 2
4 Virtueel (online in een videospel als avatars) en in het echt.
5 C, D en E
6 In het echt is Hervé dunner en heeft hij een snor.
fragment 3
7 Ze vond het team goed in voetbal, maar arrogant en agressief.
8 1 Omverlopen
 Les verbes au cahier 18-22


Exercice 22 – compréhension express
1 Godsdienst  -Politiek - M’n ex
2 Hobby’s en sport - Reizen -  Dieren -  Werk & studie - Toekomst
 Cultuur
3 Een beetje humor en je openstellen voor de ander / je interesseren voor de ander.
 2 Vallen
 3 Verliezen
 4 Excuses aanbieden
 5 Verliefd worden
9 Ze kenden elkaar eigenlijk al. / Ze hadden zich niet eerder gerealiseerd dat hun grote liefde zo ‘dichtbij’ was.


Slide 6 - Tekstslide

C: speeddating : voyages et passe-temps
timer
4:00

Slide 7 - Tekstslide

D: grammaire III

Slide 8 - Tekstslide

GRAMMAIRE III

Slide 9 - Tekstslide

ONDERWERP
LIJDEND VW
MEEWERKEND VW
MET KLEMTOON /NA VZ
ER + VZ
JE
ME
ME
MOI
NA DE : EN
TU
TE
TE
TOI
NA ANDER VZ :  Y 
IL / ON
LE/ L'
LUI
LUI
ELLE
LA/ L'
LUI
ELLE
NOUS
NOUS
NOUS
NOUS
VOUS
VOUS
VOUS
VOUS
ILS
LES
LEUR
EUX
ELLES
LES
LEUR
ELLES

Slide 10 - Tekstslide

Les pronoms personnels  met nadruk of na een voorzetsel : 
Moi, j'ai chanté papaoutai hier soir!  (met nadruk)                                      MOI
Papa est parti sans toi! (na voorzetsel)                                                            TOI
Lui, il est parti tout seul.  (met nadruk)                                                              LUI
J'ai acheté les fleurs pour elle. (na voorzetsel)                                             ELLE
Cette chanson est pour nous, enfants abandonnés! (na vz)                  NOUS
Cette chanson est pour vous, pères absents! (na voorzetsel)              VOUS
Il n'est jamais très loin et pense à eux (na voorzetsel)                                EUX
il part très souvent travailler sans elles (na voorzetsel)                             ELLES

Slide 11 - Tekstslide

2 bijzondere pronoms: En / Y
à, dans , sur + zn --> vervang je door Y
                                         betekent meestal er / erin/ erheen
Je vais à Paris      --> J'y vais

de + zn                    --> vervang je door en 
                                         betekent meestal ervan, erover  
je parle de mes souvenirs --> J'en parle

Slide 12 - Tekstslide

De plaats van het pronom
We plaatsen het PRONOM  :LIJDEND VOORWERP / MEEWERKEND VWP
vóór de persoonsvorm. Maar.....als er een infinitief in de zin staat, dan plaatsen we het pronom vóór de infinitief.
Exemple:
Je donne une fleur à ma mère   
Je la donne à ma mère              Je lui donne une fleur       Je la lui donne 
Je vais donner une fleur à ma mère 
Je vais la donner à ma mère        Je vais lui donner une fleur 
Je vais la lui donner  

VOOR HEEL WERKWOORD ANDERS VOOR PV

Slide 13 - Tekstslide

maak de instaptoets en geef aan welk onderdeel je (nog) niet beheerst

Slide 14 - Tekstslide