Jaar 2 Tekstverbanden

Wat gaan we doen? 
- Herhaling vorige les
- Nieuwe uitleg tekstverbanden
- Afsluiten met kahoot
Hoelang? 
- 10 minuten
- 20 minuten 

- 15 minuten 
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Wat gaan we doen? 
- Herhaling vorige les
- Nieuwe uitleg tekstverbanden
- Afsluiten met kahoot
Hoelang? 
- 10 minuten
- 20 minuten 

- 15 minuten 

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les: 
- weet je wat een voorwaardelijk en concluderen/samenvattend verband is. 
- weet je welke signaalwoorden bij bovenstaande verbanden horen. 

Slide 2 - Tekstslide

Welke tekstverbanden ken je nog?

Slide 3 - Open vraag

Welk signaalwoord past bij het tekstverband 'opsommend'?
A
bovendien
B
daarentegen
C
want
D
maar

Slide 4 - Quizvraag

Welk tekstverband past bij het signaalwoord 'toch'?
A
opsommend
B
tegenstellend
C
redengevend
D
uitleggend

Slide 5 - Quizvraag

'Zijn gezondheid is slecht, zo is hij bijvoorbeeld al drie keer ziek geweest deze maand!'
Welk tekstverband herken je hier?
A
opsommend
B
tegenstellend
C
redengevend
D
uitleggend

Slide 6 - Quizvraag

Welk tekstverband vind je tot nog toe het lastigst?

Slide 7 - Open vraag

Voorwaardelijk tekstverband
  • Geeft aan dat er iets onder bepaalde 'voorwaarden' gebeurd. 
  • Signaalwoorden: als, indien, wanneer, mits, tenzij, behalve als, op voorwaarde dat
  • Let op: mits = op voorwaarde dat, tenzij = behalve als
  • Voorbeeld: Als het morgen mooi weer is, gaan we naar het strand. 

Slide 8 - Tekstslide

Concluderend tekstverband
  • Bij een concluderend tekstverband trekt de auteur een conclusie uit informatie die eerder in de tekst is gegeven. 
  • Vaak in het slot!
  • Signaalwoorden: dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend, al met al, het blijkt dat, dan ook 
  • Voorbeeld: Marit wilde niet naar de dierentuin en ik wilde niet naar het strand, kortom; we konden het niet eens worden.

Slide 9 - Tekstslide

Bij welk verband hoort het signaalwoord 'als'?
A
concluderend
B
voorwaardelijk

Slide 10 - Quizvraag

Bij welk verband hoort het signaalwoord 'al met al..'?
A
concluderend
B
voorwaardelijk

Slide 11 - Quizvraag

Signaalwoord ’echter’ verwijst naar het tekstverband:
A
opsommend tekstverband
B
tegenstellend tekstverband
C
concluderend verband
D
redengevend tekstverband

Slide 12 - Quizvraag

De jongens in mijn klas leggen de lat niet al te hoog. Neem bijvoorbeeld Lex. Hij gaat altijd voor een 5,5.
A
uitleggend verband
B
redengevend verband
C
voorwaardelijk verband

Slide 13 - Quizvraag

Mijn etui zit bomvol met schoolspullen: pennen, potloden, stiften, een geo-driehoek, gummen en een passer.
A
Opsomming
B
Tegenstellend
C
Chronologisch

Slide 14 - Quizvraag