Zwakke werkwoorden Duits 2025

 zwakke werkwoorden  
1 / 55
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2,3

In deze les zitten 55 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

 zwakke werkwoorden  

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een zwak werkwoord?

  • Nederlandse zwakke werkwoorden zijn  vrijwel altijd ook in het Duits zwak
  • tegenwoordige en verleden tijd: geen klinkerverandering

Slide 2 - Tekstslide

Na deze les ...
  • Heb je de regels voor het vervoegen van de zwakke werkwoorden op een rijtje.
  • Kan je met behulp van de regels de zwakke werkwoorden vervoegen
  • en weet je op welke bijzonderheden je moet letten.

Slide 3 - Tekstslide

Zwakke  werkwoorden ....

  • zijn regelmatig
  • worden volgens een vast schema vervoegd
  • hiervoor bestaat een ezelsbruggetje
  • dus je hoeft alleen deze regel te kennen en hoeft niet alle werkwoorden uit je hoofd te leren!

Slide 4 - Tekstslide

Hoe maak je de stam van een werkwoord?

Slide 5 - Open vraag

Hoe krijg je de stam?
In het Duits krijg je de stam door
van het hele werkwoord
de -en of -n (als er geen 'e' voor staat)
weg te strepen

Voorbeelden:
machen > mach;  spielen > spiel;  radeln > radel

Slide 6 - Tekstslide

DUIDELIJK?
Laat eens zien of je dat kunt...

Slide 7 - Tekstslide

Wat is de stam van "bestellen"
A
bestel
B
bestell
C
bestelle
D
beste

Slide 8 - Quizvraag

Wat is de stam van "bellen"
A
belle
B
bel
C
bellen
D
bell

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de stam van "klettern"
A
klettern
B
kletter
C
kletteren
D
Klett

Slide 10 - Quizvraag

Wat is de stam van "gehen"
A
geh
B
gehe
C
gehen
D
gee

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de stam van "regnen"
A
reg
B
regnen
C
regn
D
regne

Slide 12 - Quizvraag

Ok, dat ging goed!

Slide 13 - Tekstslide

Zo, en nu de regel voor de uitgangen...
(net als smurfen of lopen)

Slide 14 - Tekstslide

(FE)esttenten-Regel

Slide 15 - Tekstslide

De (FE) E-ST-T-EN-T-EN - Regel
Voorbeeld:   machen  (= doen, maken)
(ik)                                     ich               mach             
(hij)                                   du                 mach st                
(hij/zij/het)                    er/sie/es    mach           

(wij)                                   wir               mach en
(jullie)                               ihr               mach t
(zij/u)                                sie/Sie      mach en

Slide 16 - Tekstslide

Laat eens zien of je het snapt:
vertaal 'hij speelt'
spielen (= spelen)
A
er spielt
B
er spielst
C
du spielst
D
du spielt

Slide 17 - Quizvraag

Wat is volgens de regels de juiste vorm?
Ich _____ gern in Düsseldorf.
A
wohne
B
wohnt
C
wohnst
D
wohnen

Slide 18 - Quizvraag

Vertaal:
jullie kopen
kaufen (= kopen)
A
ihr kauft
B
sie kauft
C
er kauft
D
du kauft

Slide 19 - Quizvraag

Welke twee vervoegingsvormen hebben het hele werkwoord?
A
er/sie/es + wir
B
ich + wir
C
er/sie/es + ihr
D
wir + sie/Sie

Slide 20 - Quizvraag

Der Hund (er) _________.
A
bellen
B
belle
C
bellt
D
belt

Slide 21 - Quizvraag

Mein Vater(er) ________ in Deutschland.
A
leben
B
lebst
C
lebe
D
lebt

Slide 22 - Quizvraag

Der Lehrer(er) ________ viel Sport.
A
machen
B
mache
C
machst
D
macht

Slide 23 - Quizvraag

Ihr _______ keine Hausaufgaben machen.
A
wollen
B
wollt
C
wolt
D
wolle

Slide 24 - Quizvraag

Frau Müller, ________ Sie zur Schule?
A
gehen
B
gehe
C
geh
D
gehst

Slide 25 - Quizvraag

Tom en Lina, wo _______ ihr?
A
wohnen
B
wohne
C
wohnt
D
wohn

Slide 26 - Quizvraag

Nog 1 klein puntje:
Als de stam op een 's'-klank eindigt   (bijv. s, ss, ß, z):

dan komt er bij
du alleen een 't' achter de stam


(Anders zou je twee keer een 's' hebben staan en dat had je waarschijnlijk automatisch al weggelaten, toch?)

Slide 27 - Tekstslide


Hoe zeg je 'jij heet Thom'?
heißen (= heten)
A
Er heißt Thom.
B
Du heißst Thom.
C
Du heißt Thom.
D
Er heißst Thom.

Slide 28 - Quizvraag

Lina, _______ du gerne?
A
tanzen
B
tanzst
C
tanzt
D
tanze

Slide 29 - Quizvraag

Tina, _________ du die Blumen?
A
giessen
B
giessst
C
giesst
D
giesse

Slide 30 - Quizvraag

Ich _______ einen Cocktail.
A
mixe
B
mixen
C
mixt
D
mixst

Slide 31 - Quizvraag

_____ du Jesse?
A
heißst
B
heißt
C
heißen
D
heiße

Slide 32 - Quizvraag

en nu 'jij danst'?

tanzen (= dansen)
A
du tanzest
B
du tanzst
C
du tanzt

Slide 33 - Quizvraag

Tot hier duidelijk?
kunnen jullie nog een uitzondering aan?

Slide 34 - Tekstslide

Nog een laatste puntje:
stam eindigt op -d of -t      


du, er/sie/es, ihr    >    krijgen een extra 'e'

(dan is het makkelijker uit te spreken!)

Slide 35 - Tekstslide

Voorbeeld
reden (= praten)                                        
ich      red e                                              wir     red  en
du       red est                                          ihr      red et
er        red et                                             sie     red  en
sie      red et                                             Sie     red  en
es       red et
                                                                             

Slide 36 - Tekstslide

Er _____ in einem Supermarkt.
A
arbeitet
B
arbeiten
C
arbeitest
D
arbeite

Slide 37 - Quizvraag

Er ________ immer sehr viel.
A
rede
B
redet
C
reden
D
redt

Slide 38 - Quizvraag

Wir __________ der Lehrerin auf die Fragen.
A
antwortte
B
antworten
C
antworte
D
antwortest

Slide 39 - Quizvraag

Er _______ seinen Schlüssel nicht.
A
finden
B
findt
C
findet
D
findest

Slide 40 - Quizvraag

en nu alles door elkaar....

Slide 41 - Tekstslide

______ ihr heute in die Schule?
A
Gehe
B
Geht
C
Gehen
D
Gehst

Slide 42 - Quizvraag

_______ ihr in Wemeldinge?
A
Wohnen
B
Wohnst
C
Wohnt
D
Wohn

Slide 43 - Quizvraag

Es _______ an der Tür.
A
klopfen
B
klopft
C
klopfet
D
klopfe

Slide 44 - Quizvraag

Mein Bruder (er) __________ zuviel.
A
reden
B
redest
C
redt
D
redet

Slide 45 - Quizvraag

Meine Mutter(sie) ________ sehr gut.
A
kochen
B
koche
C
kochet
D
kocht

Slide 46 - Quizvraag

Das Kind(es) _______ bei seiner Schwester.
A
wohne
B
wohnet
C
wohnt
D
wohnen

Slide 47 - Quizvraag

Luisa (sie) _______ sehr schön.
A
singt
B
singet
C
singen
D
singe

Slide 48 - Quizvraag

Du ________ Meier mit Nachnamen.
A
heiße
B
heißst
C
heißt
D
heißen

Slide 49 - Quizvraag

Der Barman (er) ________ gute Getränke.
A
mischen
B
mischt
C
mischst
D
mische

Slide 50 - Quizvraag

Vertaal 'jij rekent'
rechnen (= rekenen)
A
du rechnst
B
du rechnest
C
er rechnt
D
er rechnet

Slide 51 - Quizvraag

En nog eentje:
Vertaal 'jullie borstelen'
bürsten (= borstelen)
A
ihr bürst
B
ihr bürstet
C
ihr bürtet
D
ihr bürsten

Slide 52 - Quizvraag

De regels op een rij:

Slide 53 - Tekstslide

Kijk nu terug naar de lesdoelen:
Na deze les
Ken je de regels voor het vervoegen van de zwakke werkwoorden.
Kan je met behulp van de regels de zwakke werkwoorden vervoegen
en weet je op welke bijzonderheden je moet letten.

Slide 54 - Tekstslide

Heb je de lesdoelen behaald?
Je kunt deze les net zo lang bekijken tot je het snapt.
Maar zonder leren en oefenen, gaat het niet
lukken ....Succes ermee!


Slide 55 - Tekstslide