fictiebegrippen TREDE 7

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
Nederlands
trede 7
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 75 min

Onderdelen in deze les

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
Nederlands
trede 7

Slide 1 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.

Slide 2 - Tekstslide

We gaan het hebben over het blotebillenbankje!

Slide 3 - Tekstslide

Wie kent de 5W's 
en de 1H-vragen?

Slide 4 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
Door naar : TIJD en RUIMTE
In welke tijd speelt het verhaal zich af?


Waarom is dit belangrijk om te weten?



Slide 5 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
TIJD
In welke tijd speelt het verhaal zich af?


Waarom is dit belangrijk om te weten?


...omdat bepaalde dingen passen bij bepaalde tijden of juist niet.


Slide 6 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
TIJD
In welke tijd speelt het verhaal zich af?


Waarom is dit belangrijk om te weten?


...omdat bepaalde dingen passen bij bepaalde tijden of juist niet.


Voorbeeld:
In de middeleeuwen waren er nog geen smartphones.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
TIJD
Als een verhaal klopt in de tijdsgeest is een verhaal geloofwaardiger en daarmee beter!

Slide 9 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
Eén genre is daar op een uitzondering...

Slide 10 - Tekstslide

Vrijdag 30 augustus
Kennismaking / eerste les.
Eén genre is daar op een uitzondering...
...het genre Fantasy.
(...want dan kan alles)

Slide 11 - Tekstslide

Tijd en ruimte
  • Tijd en ruimte van een verhaal hebben grote invloed op de gebeurtenissen. 
  • Een personage handelt overdag op school heel anders dan 's nachts thuis of op een feestje. 
  • Er zijn heel veel mogelijkheden voor een schrijver wanneer hij de personages op verschillende plekken en in verschillende tijden laat leven.

Slide 12 - Tekstslide

RUIMTE
Bovendien kan de schrijver ervoor kiezen om de ruimte erg uitgebreid te beschrijven of juist heel kort. Bij de ruimte kan je denken aan de aardrijkskundige plaats waar het zich afspeelt, maar ook bijvoorbeeld aan een gebouw of kamer. 

Slide 13 - Tekstslide

Welk gevoel roept
deze ruimte bij je op?

Slide 14 - Open vraag

Welk gevoel roept
deze ruimte bij je op?

Slide 15 - Open vraag

Welk gevoel roept
deze ruimte bij je op?

Slide 16 - Open vraag

Theorie (personages) 
Hoofdpersonen bijpersonen = personages

Wat krijg je over hoofdpersonen te weten?
- wat hij/zij denkt en voelt
- wat zijn/haar karaktereigenschappen zijn 
(lui, vrolijk, eerlijk, gestructureerd, nieuwsgierig, krachtig, moedig, laf, creatief...)
- hoe hij/zij eruitziet (leeftijd, kleur haar, kleding, bril...)
- waar, hoe en met wie hij/zij woont
Hierdoor kun je je beter inleven in de hoofdpersoon.

Over de bijpersonen krijg je minder informatie. Je krijgt meestal geen gedachten of gevoelens te lezen.

Slide 17 - Tekstslide

Wat kan je vertellen over
het karakter van jouw hoofdpersoon?
Noem er een voorbeeld bij!

Slide 18 - Open vraag

Een bijpersoon speelt een minder belangrijke rol in een verhaal.
Bovenstaande uitspraak is
A
waar
B
niet waar
C
ik heb geen idee

Slide 19 - Quizvraag

In een verhaal krijg je veel informatie van de hoofdpersoon.
Bovenstaande uitspraak is
A
ik heb geen idee
B
waar
C
niet waar

Slide 20 - Quizvraag

LEEFOMSTANDIGHEDEN
Je beschrijft hoe de hoofdpersoon leeft in de wereld van het boek. Wat voor soort leven heeft hij/ zij? Welke factoren (zoals omgeving, mensen, geld, gezondheid) hebben invloed op het dagelijks bestaan? 

Slide 21 - Tekstslide

LEEFOMSTANDIGHEDEN
Bijvoorbeeld : Woonomstandigheden 
Waar woont de hoofdpersoon? In een huis, appartement of misschien zelfs op straat? Hoe ziet de woning eruit (groot, klein, comfortabel, of juist armoedig)? Is het een veilig en gezellig thuis, of een gevaarlijke en oncomfortabele plek?

Slide 22 - Tekstslide

LEEFOMSTANDIGHEDEN
Bijvoorbeeld : Gezondheid en welzijn
Hoe is de gezondheid van de hoofdpersoon? Heeft hij of zij toegang tot zorg, of zijn er gezondheidsproblemen die het leven moeilijk maken?

Slide 23 - Tekstslide

LEEFOMSTANDIGHEDEN 
Bijvoorbeeld : Sociaal milieu
Door wie is de hoofdpersoon omgeven? Heeft hij of zij familie, vrienden, of mensen die invloed hebben op het leven? Zijn er sociale of economische omstandigheden die de leefomstandigheden beïnvloeden, zoals armoede, rijkdom, of een slechte relatie met anderen?

Slide 24 - Tekstslide

LEEFOMSTANDIGHEDEN
Bijvoorbeeld : Werk en school
Wat doet de hoofdpersoon om bijvoorbeeld te kunnen leven? Werkt de persoon, gaat hij of zij naar school, of heeft hij of zij geen werk? Wat is de werk- of schoolomgeving?

Slide 25 - Tekstslide

LEEFOMSTANDIGHEDEN
Bijvoorbeeld : Omgeving en cultuur
Op wat voor soort plek speelt het verhaal zich af (bijvoorbeeld een stad, dorp, platteland)? Wat is de cultuur of het klimaat? Hoe beïnvloedt dit de hoofdpersoon?

Slide 26 - Tekstslide

Beschrijf de leefomstandigheden van jouw hoofdpersoon. Benoem ook voorbeelden.

Slide 27 - Open vraag

ELEVATOR PITCH
Probeer deze fictiebegrippen 
terug te laten komen 
in je elevator pitch. 

Slide 28 - Tekstslide